Tims stille schreeuw
Tims stille schreeuw
Stom
Een dagboek, dus.
Omdat ik te weinig zei tegen een vreemde. Wat willen ze nou? Wat moet ik nou tegen een suffe kinderpsycholoog zeggen? Alsof zij er iets aan kan veranderen.
Stom gedoe.
Toch zit ik hier te schrijven. Geen idee waarom.
Het is niet eens een echt dagboek. Gewoon een schoolschrift. Het lag tussen de rotzooi op mijn bureau. Daarom is het geniaal: mama gaat nooit in mijn schriften neuzen. Terwijl ze zich vast niet kan bedwingen als ze een dagboek met een slot erop zou zien. Dan wil je toch weten wat voor geheimen erin staan?
Niets wat zij niet weet.
Zij weet het nog veel erger dan ik. Rollen keukenpapier erg. Bergen papieren zakdoekjes erg. Natte lakens van de tranen erg.
Ik heb niet gehuild, al wilde ik het wel. Helemaal als ik mama zag huilen. Of haar hoorde snikken, terwijl ze dacht dat ik het niet in de gaten had.
Ik heb alleen gevloekt. Stil, in mijn hoofd.
Papa kwam het me vertellen. Alleen, zonder mama. Misschien wist zij het nog niet.
‘We hebben het echt geprobeerd. Voor jou. Maar jij wordt zo ook niet gelukkig.’
Ik hoorde hem eigenlijk niet meer, door alle vloeken die in mijn hoofd raasden. Ze knalden tegen elkaar en ontploften met veel geweld. Van al zijn excuses en smoesjes heb ik weinig meegekregen, behalve ‘het ligt niet aan jou’.
Ja, dát kon ik zelf ook wel bedenken. Ik weet heus wel aan wie het ligt.
Toch snap ik er weinig van. Waarom nu? Waarom proberen ze het niet nog even? Een jaar of dertig?
Nu papa weg is, is mama met iemand gaan praten. Nu! Dat had ze jaren geleden moeten doen. Nú is het te laat.
Of zou papa nog terug willen komen? Als mama genoeg gepraat heeft? Hoe zou ze dan zijn?
Een mama van wie papa wél zou kunnen houden. De mama van toen ze net samen waren. Verliefd. Blij. Gelukkig. Zo zijn ze geweest, ik heb de foto’s gezien. Tot het V O. Het Verschrikkelijke Ongeluk is net zoiets als Voldemort, daar mag je eigenlijk niet hardop over praten. Maar nu, na al die jaren, gaat mama dat wel doen.
Ik hoop dat het haar helpt. Voor mij hoeft dat gepraat niet zo nodig. Zeker niet met een vreemde. Ik heb Jurre, die snapt mij.
‘Jum, man,’ reageerde hij nadat ik het had verteld. Zoals altijd wist hij meteen het juiste woord te bedenken. Thuis mag hij niet vloeken, daarom verzint hij woorden die heel normaal, vriendelijk of grappig klinken, maar die dat natuurlijk niet zijn. Zo kan hij vloeken waar zijn ouders bij zijn. Of zijn zussen in hun gezicht uitschelden. Hij glimlacht er meestal ook nog bij, waardoor niemand iets doorheeft.
Behalve ik. Ik weet altijd precies wat hij bedoelt, alsof ik een Jurriaans woordenboek in mijn hoofd heb.
Zwaar K. Dat vond hij ervan. En dat is het ook.
Ik mag natuurlijk ook niet vloeken, al doe ik het wel, als er niemand bij is. Het helpt alleen niks. Ik weet niet hoe dit verder moet. Hoe ík verder moet.
Hoe?



