Zonne

Goud tekort

Zonne telt de hokjes op de kalender.
Nog twaalf dagen, dan komt die vrekkige wrattenkop van een trol.
En hij wil goud zien. Veel goud.
Anders schopt hij haar
BAF
zo haar huisje uit.
Dan heeft ze niets meer. Niemand meer.
Haar blik gaat naar het schilderij aan de wand.
Daarop lachen papa en mama.
‘Je kunt het,’ lijken ze te zeggen.
‘Ik kan het,’ fluistert Zonne terug.
Haar kat schurkt langs haar been.
Googel lijkt altijd te weten wat ze nodig heeft.
Als ze verdrietig is, komt hij haar troosten.
Als ze lui is, jaagt hij haar op.
En als ze vergeet te eten, legt hij een muis voor haar neus.
Een paar maanden geleden kwam hij zomaar binnengewandeld.
Nu voelt het of ze hem al haar hele leven kent.
‘Het is oké, Googel.
Ik heb geen tijd om verdrietig te zijn.
Ik moet goud verdienen voor de trol.
Dan kan ik hier blijven wonen.’
Zonne kroelt met haar hand door de vacht van haar kat.
Even sluit Googel zijn ogen en begint te spinnen.
Maar dan...
MIAUW
‘Oké Googel, je hebt gelijk, ik moet aan het werk.’
Het staat op de kalender:
morgen is het weer markt in Gruizelveen.
En overovermorgen.
En overoveroverovermorgen.
En overoveroveroveroverovermorgen.
Om de dag stroomt het plein van het dorp vol.
Zonne ging altijd met haar ouders mee om te helpen.
Nu staat ze alleen achter de kraam.
Om goud te verdienen voor haar gierige huisbaas.
Googel tikt met zijn staart op de losse plank van de vloer.
‘Moeten we tellen?’ vraagt Zonne.
Ja, dan weet ze precies hoeveel goud ze heeft.
En hoeveel ze nog tekortkomt.
Ze wipt de plank omhoog en pakt haar geheime kistje.
Boven het deksel draait ze rondjes met haar hand:
‘Kistje ga nu vlot, voor mij van het slot.’
Na een KLIK springt het deksel omhoog.
In het kistje glimt een dikke laag groen snot.
Zonne trekt een vies gezicht,
ook al heeft ze deze betovering zelf bedacht.
Niemand gaat in een kistje met snot graaien.
‘Ik word niet door jou bedot, verdwijn vieze laag snot.’
De groene smurrie begint te sissen en te roken.
Binnen een paar tellen is alles weg.
In het kistje glimmen nu haar gouden munten.
De trol zou ervan kwijlen, Zonne niet.

kistje vol met snot

Want wat heb je aan goud?
Je kunt het niet eten.
Er geen huis van bouwen.
En je kunt er al helemaal je ouders niet mee terugvinden.
Maar wel door kwijtraken.
Stom, rottig goud.
Zonne wil het liefst een trap tegen het kistje geven.
Dat al die rottige munten door de lucht vliegen.
Alleen schiet ze daar niets mee op.
Op de houten vloer telt ze rijtjes van tien munten uit.
Ze heeft vijf rijtjes nodig.
Vijftig goudstukken om in haar huis te mogen blijven.
Maar ze heeft er pas tweeëndertig.
‘Oké Googel, hoeveel munten kom ik tekort?’
MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW
MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW
MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW MIAUW
Achttien munten en die moet ze over twaalf dagen hebben.
Er is nog zes keer markt voor de huisbaas komt.
‘Dat is drie gouden munten per dag,’ rekent Zonne uit.
Dat lukt haar nooit.
Normaal verdient ze amper de helft daarvan.
Ze wil zuchten, maar met zuchten verdient ze niets.
‘Aan de slag!’ moedigt ze zichzelf aan.
En ze rent naar de brouwkamer.

De geweldige illustratie is van Koen Aelterman.