Waterwezen
Waterwezen
Proloog
Twaalf maanden eerder
Vlak boven het Zilvermeer zwierven de laatste flarden ochtendmist. Als zacht strelende handen gleden ze langs de zwanen, eenden en waterhoentjes. Lieflijk bedekten ze de rietpluimen en oeverplanten met een glinsterende laag dauw. Maar zodra ze de man en het meisje zagen die met paard en wagen kwamen aangereden, kropen ze gretig het land op en cirkelden plagerig om de twee heen.
Het meisje rilde terwijl ze van de bok van de wagen sprong en naar de oever van het meer liep. Hoe mooi het er ook uitzag, ze wilde niets van dit alles. Het Zilvermeer was te groot, haar ogen konden het niet met één blik bevatten. De toppen van de Maanpieken daarachter waren dreigend hoog. En koud, met hun eeuwige sneeuw. Midden in het meer lag het eiland waar zij zou gaan wonen. Hoeveel groen en herfstig geelrood er ook omheen stond, de burcht op het eiland zag er eenzaam uit.
Verlaten door alles en iedereen.
Ze voelde een kneepje in haar schouder. ‘Is het niet prachtig, Duna?’ vroeg oom Johan. ‘Je hebt zo’n geluk dat je daar terechtkunt.’
Bij oom Johan en tante Marie blijven, dat was geluk geweest.
‘Ons huis zit vol met acht kinderen,’ had tante Marie gezegd. ‘Negen is te veel.’
Duna had haar niet kunnen overtuigen dat zij geen kind was, dat zij, als ridder in wording, tante had kunnen helpen.
‘Kijk.’ Oom Johan wees naar het strak gespannen, vuistdikke trouw dat van het eiland naar het vasteland liep. Het deinde, alsof een onzichtbare hand het in beweging had gebracht.
Duna kneep haar ogen samen. Aan de overkant doemde een schaduw op uit de mist. Weer liep er een rilling over haar rug.
‘Een ridder moet juist dapper zijn als hij bang is,’ had vader haar verteld. Iedereen was wel eens bang, maar een ridder liep niet weg voor zijn angst. Die ging niet in een hoekje zitten huilen, maar ging de strijd aan met ieder monster dat hij tegenkwam. Dus probeerde Duna dapper te zijn, want dat had vader gewild. ‘Wees sterk, mijn kleine ridder,’ had hij met zijn laatste krachten gezegd. ‘Ik ben zo trots op je.’
Duna liet de mistflarden de herinnering vervagen. Vader en moeder waren dood, bij haar weggerukt door een verschrikkelijke ziekte, en nu lag haar toekomst hier: in een weeshuis.
Vluchtig wierp ze een blik over haar schouder. Daar, hoog op de Koningsklif, lag het kasteel. Ze was er nooit geweest, maar vader had er zoveel verhalen over verteld dat ze precies wist hoe het er vanbinnen uitzag. De koning kon vanuit zijn torenkamer het hele land overzien, ook het Zilvermeer en haar nieuwe thuis. Hij zou erop toezien dat ze dapper was, dus ze rechtte haar rug. ‘Tegenslag maakt je sterker,’ zei vader altijd. Dan moest ze inmiddels flinke spierballen hebben. Ze spande haar bovenarm en kneep erin.
‘Hou je hand zoveel mogelijk verborgen,’ zei oom Johan, terwijl hij haar arm met een felle ruk achter haar rug trok.
Zijn afkeer knaagde aan haar hart, maar Duna trok haar schild op. Ze wist hoe de meeste mensen over haar dachten, ook haar oom en tante. Daarom was hun huis vol. Dat was niet erg, het was gewoon zo.
De schaduw brak geleidelijk aan door de mist en veranderde in een man op een vlot. Een vlot dat omrand was met een stevige houten reling. Aan één zijde waren twee grote ringen aangebracht, waar het touw doorheen liep dat over het water was gespannen.
Toen het pontje dichterbij was gegleden, zag Duna dat het touw ook nog om een groot wiel gelust was. De man draaide het wiel rond en rond en zo bewoog hij het vlot richting het vasteland. Hier aan de oever stond ook een rad. Daarmee kon je vast het pontje naar je toe bewegen als het aan de andere kant bij het eiland lag.
Het pontje botste tegen de oever en drukte zich in het zand. De man moest al oud zijn: zijn haar was meer grijs dan bruin en zijn gezicht was verweerd, alsof het zware stormen had doorstaan. Maar hij sprong soepel over de reling.
‘Bent u van het Boezehof? Komt u mijn nichtje ophalen?’
‘Hum,’ knikte de man. Hij glimlachte vriendelijk en wenkte Duna.
Oom Johan zakte door zijn knieën. ‘Duna, ze zullen hier goed voor je zorgen. Later …’
‘… als ik een ridder ben …’
Oom Johan lachte een trieste lach. ‘Pas goed op jezelf.’ Hij haalde haar plunjezak uit de kar, drukte die in haar handen, kneep even bemoedigend in haar schouder en gaf haar een zetje richting het pontje.
Half over de reling hangend liet Duna de plunjezak voorzichtig op de bodem van het vlot zakken. Daar zat alles in wat ze nog had van thuis. Haar kleding, eetgerei, de schelpenketting van moeder en het stuk hout dat vader tot een paard had proberen te beitelen. Ze hadden toen samen besloten dat hij er geen ridderfiguur bij hoefde te maken, want dat zou een belediging voor iedere ridder zijn.
Nu was dat mislukte houtsnijwerk het enige wat ze nog had van haar vader.
Duna probeerde net zo soepel als de man over de reling te stappen, maar haar benen waren niet lang genoeg, ze bleef halverwege steken. Ineens voelde ze twee handen onder haar oksels die haar het vlot op zwierden. Bijna in dezelfde beweging stapte de man ook het pontje op.
Hij begon weer te draaien aan het rad, nu in tegengestelde richting. De bodem van het pontje schokte even en toen kwam het los. Los van het vasteland. Los van haar oude leven. Ze zwaaide naar oom Johan tot die zich omdraaide en op de bok klom. Daarna richtte ze haar aandacht op de onbekende man. ‘Ik ben Duna, meneer. Dank u dat u mij komt halen.’
‘Hmmum,’ klonk het vriendelijk. ‘Kunt u niet praten?’
‘Hmmhmm.’
Duna had geen idee of dat een ja of nee was of iets daartussenin. ‘Hmm,’ mompelde ze als antwoord en ze hoopte dat het net zo vriendelijk klonk als bij hem.
De herfstzon brandde nu ook de laatste mistflarden weg. Overal om haar heen glinsterde het water alsof het bestrooid was met elfenstof. Dit meer moest wel magisch zijn. Zo in de zon leek het water puur zilver. Zelfs nog schitterender dan dat.
Haar nieuwe thuis kwam steeds dichterbij. Statig stond het tussen de bomen, die van groen naar geel naar oranje naar rood kleurden. De burcht had witgepleisterde muren en leigrijze daken. De torentjes en kantelen waren niet te tellen, zo veel. Een brede trap met pilaren leidde naar een dubbele voordeur. Daarboven was de gevel versierd met donkergrijze ornamenten.
Aan het hoofdgebouw zaten twee zijbeuken vast. Het weeshuis was waarschijnlijk net zo groot als het kasteel van de koning. Hier kon een heel dorp in wonen!
Toch hoorde Duna geen stemmen of kindergelach, alleen het gesnater van watervogels. Misschien was iedereen op het eiland wel zo stil als deze man. Nee, misschien hing er een stiltebetovering over deze plaats. Nou, die zou ze dan meteen proberen te verbreken!
Haar ogen schoten heen en weer op zoek naar mensen. Ineens bewoog er iets tussen de bomen. Een meisje met een wilde, blonde staart en een lange, lichtpaarse jurk zwaaide naar haar vanaf de bosrand.
‘Een goede dag!’ Duna zwaaide terug.
Het pontje bonkte tegen de oever en nu opende de vriendelijke man een hekje voor haar, zodat ze moeiteloos met haar plunjezak uit kon stappen.
‘Kom, kom gauw,’ riep het meisje luid en duidelijk. Geen stiltebetovering dus.
Blijkbaar had het meisje haast, want ze zette al een paar passen achteruit. Duna rende naar haar toe met haar plunjezak tegen zich aangeklemd. ‘Ik ben Duna.’
‘Een goede dag, Duna. Ik ben Menthe en ik zal je hier wegwijs maken.’ Het meisje was iets langer dan zij, maar leek niet veel ouder. ‘Maar eerst weg bij de waterlijn.’
Duna wierp een blik over haar schouder. De vriendelijke man bij het pontje, de gele lis die de hele oever opfleurde, de kwetterende watervogels; ze had geen idee waarom ze daar zo snel bij weg zou moeten.
Maar Menthe trok haar mee, een paar passen slechts, tot ze door de bomen omringd waren. Daar ontspande haar gezicht, alsof de bomen ridders waren die haar beschermden. ‘Welkom in het Waterweeshuis. Je bent hier natuurlijk niet voor je plezier.’ Even zat haar blik vol medelijden. Of waren het herinneringen aan de ouders die ze zelf was kwijtgeraakt? ‘Ik snap dat je bang bent, dat was ik ook toen ik hier net kwam. Maar geen zorgen, je bent niet alleen. Hier ben je veilig, hier wordt goed voor je gezorgd. Zolang je niet in de buurt van het water komt.’
‘Bedoel je het Zilvermeer?’
Menthe knikte zo fanatiek dat er nog meer haren uit haar staart schoten. Daardoor leek ze meer op een wilde kat dan op een keurig weesmeisje. ‘Ik ga je zo meteen rondleiden en alles vertellen. Maar de belangrijkste waarschuwing geef ik je nu.’ Ze boog zich naar Duna toe en fluisterde: ‘Er woont een monster in het meer. Een monster dat kinderen naar zijn hol sleurt om ze daar op te peuzelen. Dus blijf uit de buurt van het water.’
Het zilverglanzende water waar zij net overheen was gekomen? ‘Weet je het zeker? De man van het pontje heeft daar niets over gezegd. En híj leek niet bang.’
‘De huisbewaarder zegt nooit wat. En natuurlijk is hij niet bang, hij is geen kind. Het monster lust zijn taaie vlees niet.’
Draken, heksen, trollen, zeeslangen, de wereld zat vol gedrochten. Maar een weeshuis aan een meer waarin een monster woonde dat kinderen verslond? Nee, dat kon er bij Duna niet in. Toch leek de angst in Menthes ogen echt. ‘Geloof me, Duna: blijf uit de buurt van het meer!’



