Zirakel

Hoofdstuk 1

Heydar

Iéts had hem gewekt. Heydar luisterde: geen schuifelende voetstappen, geen ruisende kleding, geen ademgeruis buiten dat van hemzelf. Toch waarschuwde zijn intuïtie hem dat er iets mis was.
Hij opende zijn ogen net ver genoeg om tussen zijn wimpers door te kunnen kijken. Slechts een flard maanlicht glipte langs de randen van het gordijn, waardoor zijn kamer in zwarte tinten was gehuld. Grijszwart waren de muren, dofzwart was de stenen vloer en de deur tekende zich bruinzwart af. Donkere schimmen op de plek van zijn bureau, kledingkist en wapenkast. Overal schaduwen die een indringer konden verhullen.
Zijn vingers graaiden onder zijn kussen en omklemden het heft van zijn mes. Met een sprong was hij uit bed, klaar voor de aanval. Maar er gebeurde niets. Er was niemand. Alleen dat onheilspellende gevoel dat aan de binnenkant van zijn schedel prikte.
Hij schoot een broek aan en glipte zijn kamer uit. In de gang flakkerde een olielamp. Alle deuren waren gesloten. De mannen die geen dienst hadden, sliepen. Ook als ze vrij waren, golden zijn regels: geen vrouwvolk op de kamers en geen alcohol. Niets was belangrijker dan de veiligheid van het Zirakel.
Geluidloos repte hij zich naar het einde van de gang, drukte zich tegen de muur en spiedde om de hoek. De wachters voor het vertrek van het Zirakel stonden in de houding. In hun linkerhand de speer met lange, witte veren; hun rechterhand bij de dolkschede die glinsterde als een ziwanenschub. Hun borstkuras met de zilveren ziwanenklauw erop bewoog bij iedere ademhaling. Ze stonden kaarsrecht, zoals het hoorde, en toch klopte er iets niet.
Ze keken niet waakzaam om zich heen, maar star vooruit. En ze knipperden niet met hun ogen. Sterker nog: ze stonden erbij als standbeelden.
Hij sloop naar ze toe en de ziltige geur werd steeds sterker. Ziwanenmagie.
De deur naar het vertrek van het Zirakel stond op een kier. Er stond iemand bij haar bed! Veel te dichtbij! Als diegene een wapen had…
‘Dus nogmaals, het is tijd dat u een nieuwe vlucht voorspelt. Hoe u het doet, maakt niet uit, lok de Ziwanen, roep de goden aan, als het maar gebeurt. Anders heeft het Middenland binnenkort de dood van het Zirakel te betreuren.’
Heydars bloed raasde door zijn lichaam, maar hij maande zichzelf tot kalmte en schuifelde naar binnen, langs de ragfijne doeken die vanaf het plafond tot op de grond hingen. Overdag dompelden die de kamer van het Zirakel in de donzigheid als van wolken, nu hingen ze mateloos in de weg. Maar het lukte hem om de belager onopgemerkt te naderen. Hij greep de armen van de man en trok die op zijn rug, zodat hij geen wapen of relikwie kon gebruiken. De man stootte een onbestemd geluid uit, klapte zijn tanden op elkaar en zijn lichaam begon te schokken. Heydar kon hem nauwelijks in bedwang houden, tot de spieren van de man verslapten en hij levenloos neerviel. Een zurige, prikkende geur walmde uit zijn mond.
Heydar controleerde de hartslag van de belager, vloekte, stapte over de man heen en boog zich over het Zirakel. ‘Bent u gewond?’ Snel draaide hij de olielamp hoog die naast haar bed smeulde. Het licht streek over de witte schubben op haar wang, over de ziwanensnavel die op de plek van haar mond en neus zat. Haar spichtige oogjes fonkelden, krachtig als altijd.
‘Uw belager heeft zichzelf vergiftigd,’ zei hij, terwijl hij de rest van het vertrek opnam. In het licht waren de doeken half doorschijnend, daar zat niemand achter verscholen. In de hoek lagen de twee vrouwen die dag en nacht voor het Zirakel zorgden in hun bed, zo te zien net zo versteend als zijn mannen. Voorlopig lagen ze daar goed. Als de verstening definitief was, kon hij er toch niets aan doen en als de magie tijdelijk was, kwamen ze vanzelf weer bij.
‘Laat me u omhoog helpen.’ Al jaren waakte hij over haar, maar nog nooit had hij haar aangeraakt. Voorzichtig schoof hij zijn arm onder haar nek en gleed langs de schubben. Glad en hard voelden ze, niet-menselijk. Hij legde zijn hand op haar schouder en schrok van haar knokige botten.
Nu ze zat, kon hij haar niet meer in de ogen kijken. Haar lange ziwanennek was te zwak om het gewicht van de snavel te dragen, waardoor haar hoofd omlaag werd getrokken. Hij hurkte en keek naar haar op. ‘Gaat alles goed met u?’ Een overbodige vraag, hij had al aan haar krachtige oogopslag gezien dat ze in orde was. Ze knipperde dan ook eenmaal met haar ogen.
‘Heeft hij u pijn gedaan?’
Het Zirakel knipperde tweemaal.
‘Weet u wie u bedreigd heeft?’
Ze knipperde twee keer.
‘Dit had nooit mogen gebeuren. De wacht wordt verdubbeld en ik zal niet rusten voor ik weet wie dit gedaan heeft.’
Het Zirakel tilde haar hand op en wees met een geschubde klauw naar de dode man.
‘Redt u het nog even zonder hulp van uw bedienden?’
Haar kromme vinger bewoog ongeduldig.
Hij draaide alle olielampen in de kamer hoog en boog zich over de dode. Uit de eenvoudige, lichtbruine kleding was weinig op te maken. De man droeg geen wapens, geen enkel herkenningsteken. Zwarte, onverzorgde nagels wezen op een lage komaf. In zijn rechterhand leek iets te zitten. Heydar wurmde de verkrampte vingers open en haalde er een verschrompelde bol tussenuit. Hij draaide het voorwerp rond en ineens werd hij aangekeken door een donkere pupil.
Een ziwanenoog! Snel bedekte hij de relikwie met beide handen.
Achter hem maakte het Zirakel een ongedurig geluid. Hij liet haar zijn vondst zien. Hoewel het oog uitgedroogd en verschrompeld was, ging er kracht vanuit. De magie prikte tegen zijn huid. Bah, wat haatte hij magie. Maar dit was niet het moment voor kleinzieligheden. Misschien kon hij via de relikwie ontdekken wie de belager op het Zirakel had afgestuurd. Die sloeber moest ingehuurd zijn, alleen de allerrijksten en allermachtigsten hadden ziwanenrelikwieën.
‘Weet u van wie deze relikwie is?’
Ze knipperde tweemaal met haar ogen, legde haar hand op die van hem en vouwde zijn vingers om het gerimpelde oog.
‘Wilt u dat ik de relikwie bij me houd?’ vroeg hij.
Ze knipperde eenmaal.
Hij vertrouwde liever op spierkracht, snelheid en wapens, maar zelfs de burchtheer sprak het Zirakel niet tegen, dus Heydar knikte. ‘Ik zal de relikwie laten onderzoeken.’ De representanten van de vier goden hadden er meer verstand van dan hij.
Het Zirakel kraste. Het klonk als een protest. Had ze geraden dat hij de relikwie aan de representanten wilde laten zien? ‘Moet ik haar geheimhouden?’
Ja, knipperde ze met haar ogen.
Dat leek hem onmogelijk. ‘Uw bedienden en mijn wachters zijn versteend. Iedereen zal weten dat er magie gebruikt is.’
Ze knipperde tweemaal.
Hij nam aan dat ze bedoelde dat de verstening vanzelf zou verdwijnen. Maar dan nog moest hij aan de burchtheer en de representanten uitleggen waarom zijn mannen zich zonder strijd hadden laten overmeesteren. Magie was de enige verklaring.
Hoewel, de belager had ook slaappoeder kunnen gebruiken. Het was kostbaar en schaars, maar in vergelijking met ziwanenrelikwieën net zo gemakkelijk verkrijgbaar als een kippenei.
Het Zirakel knipperde met haar ogen, alsof ze zijn gedachten had gelezen.
‘Kan ik nog iets voor u doen?’ Zodra de verstening van haar bedienden voorbij was, zou hij de hele Cirkelburcht uitroken.

Heydar trommelde met zijn vingers op zijn bureau. De Cirkelburcht was groot, maar niet zo groot dat de representanten hem uren konden laten wachten. En hij was meer dan duidelijk geweest in zijn bericht; de representanten behoorden naar zijn werkkamer toe te rennen!
Voetstappen, die sloffend dichterbij kwamen. Aamtaz, de representant van de godin van de oorsprong, trad binnen. Aan haar was niets oorspronkelijks meer: ze had haar leven met ziwanenbloed verlengd en was de honderdvijftig gepasseerd. Ze had een geplooid gezicht als het schild van een gegroefde lapsnuitkever. Ouderdomsvlekken zaten op haar wangen, hals en geaderde handen. Moeizaam schuifelde ze naar de dichtstbijzijnde stoel. ‘Waarom word ik in allerijl gesommeerd om hier te komen?’ Haar stem kraakte.
‘Dat zal ik u zo uitleggen, als ook de andere representanten aanwezig zijn.’ Inmiddels had hij een vermoeden waarom hij van het Zirakel het oog geheim moest houden: waarschijnlijk zat een van de representanten achter de bedreiging. Maar wie? Ze hadden alle vier relikwieën en waren allemaal gebaat bij de vlucht van een Ziwaan. Het was al meer dan honderd jaar geleden dat er een Ziwaan was overgevlogen en het bloed van dat beest was gebruikt om het huidige Zirakel te creëren. Vroeger gebeurde het nog wel dat een Ziwaan of delen ervan te koop waren op de Zuidse Eilanden, maar de handel lag al tijden stil. Voor zover hij wist was het zestig jaar geleden dat ze een hele Ziwaan hadden kunnen bemachtigen. Het ziwanenbloed raakte op, de medicijnen van de gemalen botten waren schaars en de magische zalfjes van het vet zeldzaam. Het hele Middenland bad voor een nieuwe vlucht zodat de Ziwaan uit de lucht geschoten kon worden.
Aamtaz tikte met haar nagel op de leuning van de stoel. ‘Waar blijven de anderen?’
‘Ik neem aan dat ze ieder moment hier zullen zijn.’
Aamtaz bleef ongeduldig tikken. Had ze ook haar geduld met het Zirakel verloren? Voor haar was nieuwe ziwaterie een kwestie van leven of dood.
Krachtige voetstappen kondigden Behrouz aan. Zwierig kwam de representant van de god van de groei binnen. ‘Goedemorgen.’ Zijn pikzwarte haar stak fel af tegen het grasgroene gewaad van zijn god. Behrouz oogde als een dertiger, maar was in de vijftig. Hij had nog geen ziwanenbloed nodig om zijn leven te rekken, wél om jong te kunnen blijven en zo zijn god te representeren.
‘Waar is de brand?’ vroeg Behrouz.
‘Tegen de tijd dat wij dat te horen krijgen, ligt de hele Cirkelburcht in de as,’ klaagde Aamtaz.
Het duurde niet lang voordat de derde binnenschreed. Nilofer deed de godin van het verval geen eer aan met haar uiterlijk. Ze was lang en gezet, had blosjes op haar wangen en priemende ogen in dezelfde kleur als haar gewaad: grijsblauw. Zij was tot alles bereid om haar macht te vergroten.
Alsof de representanten hadden afgesproken dat ze in de volgorde van de eeuwige cirkel van de goden binnen zouden rollen, maakte Vush de cirkel rond met zijn late komst. De grijsharige man in de potsierlijke, bloedrode mantel had in Heydars ogen de minste baat bij een vlucht. De dienaar van de god van de dood verlengde zijn leven niet met ziwanenbloed en gebruikte geen zidicijn bij ziekte of verwonding. Hij eerde zijn god door te sterven zodra de tijd daar was. Aan de andere kant gebruikte hij wel relikwieën en een nieuwe vlucht betekende nieuwe aanwas van machtsmiddelen.
Nadat Vush naast Nilofer had plaatsgenomen, zei Heydar: ‘Jullie zijn hier omdat het Zirakel vannacht is bedreigd.’
Aamtaz’ schilferige mond viel open. Behrouz fronste, Nilofer schudde haar hoofd en Vush mompelde iets. Uit hun ogen en lichaamstaal sprak geen verbijstering, zoals bij Aamtaz.
‘Hoe komt het dat de Zirakelwacht heeft gefaald?’ vroeg Vush.
Terwijl hij de representanten scherp in de gaten hield, vertelde hij dat er slaappoeder was gebruikt. Niemand trok zijn wenkbrauwen op, dus één van hen kon zich buitengewoon goed beheersen. Tja, wat had hij dan verwacht? Nadat hij verslag had gedaan over de afgedwongen voorspelling riep Aamtaz uit: ‘Dat is waanzin! Het Zirakel is gemaakt om te voorspellen waar en wanneer het gebeurt, zodat we nooit een overvliegende Ziwaan zullen missen. Maar ze kan de Ziwanen niet gebieden.’
Dat wist zelfs een kind. Er moest iets achter de bedreiging zitten, een reden die hij nog niet begreep. Volgens de annalen vloog er gemiddeld iedere vijftig jaar een Ziwaan over die uit de lucht geschoten kon worden, maar het huidige Zirakel had nog nooit een vlucht voorspeld. Was er iets mis met haar gave? Nee, dat geloofde hij niet. Als er wel Ziwanen waren overgevlogen dan waren ze gezien, door iemand, ergens, en dan had het nieuws zich als een lopend vuurtje door het Middenland verspreid.
Misschien moest hij een andere vraag stellen: waarom vlogen er geen Ziwanen meer over?
‘Ik denk dat het een wanhoopsdaad is,’ zei Behrouz. ‘Aangezien dit het tijdperk van de godin van het verval is, is het leven voor de meeste mensen zwaar. Honger, ziektes, armoede; de vlucht van een Ziwaan zou hoop geven.’
Dat was een interessante invalshoek.
‘Het verval van een maatschappij is nodig om vernieuwing te kunnen brengen,’ zei Nilofer. ‘Iedere fase van de eeuwige cirkel moet doorlopen worden.’
‘Dat verandert niets aan het feit dat het Zirakel is bedreigd,’ zei Aamtaz grimmig. ‘Wat als het de volgende keer niet bij een dreiging blijft? Blijkbaar kan iedereen naar believen haar vertrek binnenlopen.’
‘Niemand komt meer in haar buurt,’ reageerde Heydar fel.
Vush keek hem geringschattend aan. ‘Ook het Zirakel zal vroeg of laat Khahrokh eren met haar dood.’
‘Het ligt in haar aard om haar eigen dood voortijdig te voorspellen, zodat er een opvolger gemaakt kan worden,’ wierp Nilofer tegen.
Maar kon ze haar dood ook voorspellen als die onnatuurlijk was? Het kostte vijftien jaar om een Zirakel te creëren. Een pasgeboren baby werd weggehaald bij haar moeder voordat ze moedermelk gedronken had en werd haar verdere leven gevoed met ziwanenbloed waardoor ze langzaam (en pijnlijk, had Heydar gehoord) transformeerde tot half mens, half Ziwaan.
‘Laten we de goden bidden dat ze nog lang blijft leven,’ zei Aamtaz. ‘We hebben niet genoeg bloed om een nieuw Zirakel te creëren. Er is amper genoeg om het huidige te voeden.’
Ze werd in leven gehouden met één druppel bloed per dag. De burchtheer had immense bedragen uitgeloofd om bloed te verkrijgen uit privévoorraden of van clandestiene handelaren, maar tevergeefs.
‘We moeten ervoor zorgen dat het Zirakel veilig is,’ vond Nilofer.
Als het Zirakel zou sterven, zou de cirkel van de goden doordraaien en dan zou Nilofer haar macht verliezen. Het Zirakel had van Nilofer niets te vrezen, concludeerde Heydar. Van Vush bij nader inzien wel, die zou aan de macht komen als de cirkel doordraaide.
‘Hoe nu verder?’ vroeg Behrouz. ‘Aan de ene kant moeten we erachter komen wie haar bedreigd heeft. Aan de andere kant moet er snel nieuwe ziwaterie komen. We kunnen niet langer wachten op een vlucht, we moeten zelf actie ondernemen.’
‘O ja?’ Aamtaz klonk schamper. ‘We hebben al zo vaak geprobeerd het geboorte-eiland van de Ziwanen te bereiken. Dat is net zo nutteloos als een expeditie naar het eiland waar ze sterven in het Noorderrijk.’ ‘Niets is onmogelijk,’ vond Behrouz. ‘Als we onze krachten bundelen, de missie goed voorbereiden, onze sterkste relikwieën meenemen, dan moet het lukken.’
De weerzin droop van de gezichten van de andere representanten. Dat deze vier hun krachten zouden bundelen, leek net zo uitgesloten als de zon die in het westen opkwam.

Een zacht briesje liet de witte doeken in de kamer van het Zirakel welven. Soms had Heydar onbelemmerd zicht op haar en haar bedienden, soms zag hij alleen hun schimmige gedaantes.
Hij had hun zojuist een kostbare druppel ziwanenbloed overhandigd die hij uit de slinkende voorraad gehaald had. De ene bediende hielp het Zirakel haar snavel te openen, de andere draaide de zilveren lepel om waarop de druppel bloed lag. De snavel werd dichtgehouden en het hoofd van het Zirakel zo ver mogelijk naar achteren gebogen, zodat ze kon slikken.
Mensonterend, maar er was ook weinig mens over van het geschubde, vergroeide wezen daar op bed. Ze kon niet praten, niet lopen, amper haar armen bewegen. Hulpeloos en machtig tegelijk.
Een van de bedienden pakte het ambtsgewaad. Snel draaide Heydar zich om. Natuurlijk was hij nieuwsgierig of haar lichaam helemaal bedekt was met ziwanenschubben, of ze ergens veren had, of de welvingen aan haar voorkant borsten of vergroeiingen waren, maar hij hoorde niet te kijken.
Normaal stonden er geen wachters in haar vertrek, alleen voor haar deur, maar het Zirakel had er zelf mee ingestemd dat er vanaf nu ook binnen iemand de wacht hield. ‘Twee andere mannen buiten mijzelf,’ had hij voorgesteld. Want niet iedereen hoefde te zien hoe hulpbehoevend ze was.
Zijn oogleden waren zwaar en zakten langzaam dicht. Ik moet slapen, dacht hij, maar eerst moest hij ervoor zorgen dat haar niets overkwam tijdens de wekelijkse burgerontvangst.
Het was veel te gevaarlijk voor haar om daar nu aanwezig te zijn, maar de burchtheer had niet naar zijn argumenten willen luisteren. ‘Zij hóórt aanwezig te zijn, daar brengen we geen verandering in vanwege een halfzachte bedreiging. Doe je werk en zorg dat haar niets overkomt.’
De aanval op het Zirakel was inderdaad niet levensbedreigend geweest, maar iemand dacht iets met die zinloze bedreiging te winnen en zo lang hij niet wist wie, wat of waarom, zou hij geen enkel risico nemen.
Zodra er geen geruis van kleding meer klonk, draaide hij zich weer om. Nu zag het Zirakel eruit zoals hij haar kende: een statige vrouw in het kleurrijke gewaad van de goden. Haar kanten mouwen waren zonnegeel, de kleur van de godin van de oorsprong. Haar fluwelen bovenlijf was grasgroen, om de god van de groei te eren. De grijsblauwe stof van haar rok representeerde de godin van het verval. Over haar hele jurk zaten bloedrode borduursels, om aan te geven dat de god van de dood in iedere fase van het leven zijn macht kon laten gelden.
De bedienden hielpen het Zirakel in het harnas van haar rollende kruk. Zodra het harnas gesloten was, werd ze aan alle kanten ondersteund zodat ze niet kon vallen. Haar jurk vloeide eroverheen en de plooien van haar rok werden dusdanig om de houten wielen geschikt, dat het leek alsof ze zelfstandig stond.
‘Bent u klaar?’ vroeg Heydar.
Ze knipperde eenmaal.
Hij opende de deur en stak zijn hoofd door de kier. Naast twee mannen bij de deur, stonden er verderop in de gang nog twee, waardoor de kans kleiner was dat alle wachters tegelijkertijd konden worden uitgeschakeld. ‘We gaan.’
Met de wachters om haar heen werd het Zirakel naar de burgerzaal gereden. Via een dienstingang kwamen ze in de nog lege zaal uit. Het Zirakel werd links, schuin achter de troon van de burchtheer neergezet.
Zijn mannen namen hun plaatsen in en hij posteerde zich tegen de zijmuur. Vanaf daar had hij goed zicht op de troon, de banken van de edelen en de brede toegangsdeur waardoor de burgers de zaal zouden betreden.
Het gestamp van zware laarzen kondigde de wachters van de burchtheer aan. Ook zij namen hun plaatsen in, als pilaren verspreid door de zaal.
De ijzerbeslagen deuren werden opengedaan en met de burgers stroomde een walm van zweet, stof en vuil naar binnen. Mannen en vrouwen uit de Cirkelburcht zelf, uit de omliggende dorpen en steden en uit de uithoeken van het Middenland. Hoopvol, triest, gezond, krakkemikkig, welvarend en arm.
Tussen de burgers door liep Papak, als altijd gewapend met een rol perkament en zijn ganzenveer. Op een kleine verhoging rechts van de troon nam hij plaats en rolde het perkament uit, zijn vingers donker van de inktvlekken. Keuvelend stroomden de edelen binnen. Die kwamen zich verkneukelen over de problemen van de minderbedeelden. Of was er iemand met buitengewone interesse in het Zirakel?
Een zwart geüniformeerde wachter opende de deur achter de troon. De burchtheer maakte zijn entree met grote, logge passen, waarbij zijn zwart met gouden mantel achter hem aan zwierde.
Reikhalzend keken de burgers naar hun leider. Dat het land in verval was, dat de droogte de landerijen verzengde en de oogsten mislukten, daar had hij weinig invloed op, maar iedereen wist dat de burchtheer deed wat hij kon om de lasten van zijn burgers te verlichten. Het was alleen niet genoeg.
Zodra de burchtheer zich op zijn troon geïnstalleerd had, wuifde hij naar Papak. De scribent schraapte zijn keel en het geroezemoes verstomde. Vanaf het perkament las hij de naam voor van de eerste die de burchtheer mocht aanspreken. ‘Tohrab Afkari.’
Een dertiger, met opvallend groene ogen en een gezicht getekend door zorgen, kwam naar voren en boog. ‘Wat kan ik voor u doen?’ De stem van de burchtheer droeg tot in alle hoeken van de zaal.
‘Mijn heer,’ de burger vouwde zijn handen in een smeekbede, ‘u bent mijn laatste hoop. Mijn vrouw is ernstig ziek, alleen zidicijn kan haar nog redden.’
Op het gezicht van de burchtheer tekende zich het antwoord al af, maar de smekende man ging verder: ‘Ik ben een hardwerkende schrijver, maar ik heb niet het vermogen om zidicijn te kopen. Zonder gaat ze dood.’
‘Het spijt me,’ zei de burchtheer. ‘Ik kan uw vrouw niet helpen.’
‘Alstublieft, mijn heer, ik weet dat uw genezers zidicijn hebben. Gun daarvan een heel klein beetje aan mijn vrouw. Ik zal alles doen om u terug te betalen. Mijn leven is van u, als u mijn vrouw redt.’
Wat een onzelfzuchtigheid. Jammer dat de man niet meer dan zijn schamele leven had om in te zetten.
De burchtheer keek de schrijver scherp aan. ‘U moet begrijpen dat ik mij niet over iedere zieke in mijn rijk kan bekommeren. Wend u tot de tempels, bid tot de goden en ik wens u het allerbeste.’
Een van de wachters van de burchtheer gebaarde de schrijver om plaats te maken, maar hij gaf niet op. ‘Ik heb iedere tempel met mijn vrouw bezocht, ik heb zelfs gesproken met alle vier de representanten. Alleen u kunt mij nog helpen.’
Die man moest wel heel overtuigend zijn als hij het voor elkaar had gekregen om alle vier de representanten te spreken. Die hielden zich doorgaans niet bezig met de beslommeringen van de gelovigen. Zeker niet als ze geen geld of macht hadden.
Ondanks zijn volharding werd de schrijver door twee wachters onder zijn oksels gepakt. De man stribbelde tegen, maar werd onherroepelijk naar de deur gesleept. ‘Alstublieft, ik smeek u!’
Heydar kreeg medelijden. Ooit had hij ook zo veel van een vrouw gehouden dat hij zijn leven voor haar had willen geven. Hij schudde zijn hoofd om de herinneringen te verjagen.
De man werd de zaal uitgegooid en de deur viel met een bons dicht. In de stilte die volgde, klonk er een onbestemd geluid uit de keel van het Zirakel.
Heydar rende naar haar toe, ondertussen de omgeving afspeurend naar een mogelijke dreiging. Ze zat er rustig bij, nergens leek gevaar, maar in haar ogen lag een magische glans. Haar snavel opende zich en ze kraste als een vogel.
Ze ging spreken. Na al die jaren van zwijgen zou er nu een voorspelling komen! Toch niet vanwege de bedreiging? Ze had hem al een paar keer verzekerd dat ze niet bang was, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Ze zag er ook niet angstig uit. Allesbehalve! ‘Haal de representanten,’ gebood hij.
Een van de wachters van de burchtheer snelde weg, zijn voetstappen het enige geluid in de verder doodstille zaal.
Het Zirakel hief haar hoofd en strekte haar kromgegroeide bovenlichaam. Ze straalde zo’n kracht uit, dat Heydar een stap naar achteren deed.
Zonder hulp bracht het Zirakel haar rollende kruk naar voren. Ze was groot, machtig en een en al magie. En ze zong:
‘Uit ‘t ei komt hij, die niet mag bestaan
Schubben heeft hij en zwarte veren
Gevangen nog, maar tijden keren
Dan schudt de wereld en grenzen vergaan
Pas op voor de vlucht van de zwarte Ziwaan.’