Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Lezers op de foto

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Boekpresentatie

Recensies

 

Hoofdstuk 1

Hij werd omringd door zondags zwart. Nog even, dan was de dienst voorbij. Tijs wilde wel luisteren naar de voorganger, maar hij werd steeds afgeleid. Door een klein stukje blote huid, drie kerkbanken voor hem. Zacht en verleidelijk. Onweerstaanbaar.
Ineens stond de hele gemeente op. Weg was zijn uitzicht. Tijs boog zich naar rechts, zodat hij nog een glimp van Antje kon opvangen. Er was een plukje donker haar aan haar kapje ontsnapt. Het lag op de blanke huid van haar nek. Lagen zijn vingers daar maar!
Een por tegen zijn arm. Hij keek opzij, naar de gladgestreken tronie van Maarten, maar Tijs zag de trillende mondhoek wel. Maarten kon zijn lach nauwelijks inhouden. Hij knikte overdreven naar de voorganger, die met de Bijbel in zijn handen stond.
O ja, de psalm. Tijs zong uit volle borst mee en hield zijn blik strak voor zich gericht. In het koor van stemmen, zelfs boven zijn eigen gezang uit, hoorde hij die ene, heldere, hemelse stem. Ach, het was geen zonde dat hij zich liet afleiden door Antje; zij was een engel.
Na de samenzang nam de voorganger weer het woord. ‘God almachtig, behoed de schepen die komende week uitvaren. Ik beveel alle Texelse zeemannen aan in Uw genade. Deze mannen blinken uit in kennis, geloof en godsvrucht. Zij varen uit ter Uwer glorie.’
Tijs zag de schepen over het water scheren, de bemanningsleden op het dek, hun blikken op de horizon gericht. Zij gingen naar verre landen, zouden vreemde volken ontmoeten, avonturen beleven waar hij alleen van kon dromen. Uitvaren voor Gods glorie… Hij zou nooit verder komen dan de buitenste boeg van Texel. Daar was weinig glorie te behalen.
‘Ik vraag U om U over hen te ontfermen en hen te zegenen met een behouden thuiskomst,’ galmde de stem van de voorganger.
‘Amen,’ zei Tijs. Terwijl de voorganger alle aanwezigen de zegen gaf, sloot hij zijn ogen om te bidden voor oostelijke wind. Zijn oudste broer Dirk lag al een week op een VOC-schip voor anker in de Koopvaarders Rede. Hoe langer Dirk moest wachten tot ze uit konden varen, hoe langer het duurde voor hij terugkwam met spannende verhalen. En met het aandenken uit Indië dat hij beloofd had. Tijs wilde geen peper of kaneel, maar een slagtand van een olifant. Daarmee zou hij Antjes hart veroveren! Al moest hij er dan wel bij vertellen dat zijn broer dat cadeau voor haar had meegenomen…
Waarom ben ik toch de jongste? vroeg hij zich af. Het was niet eerlijk. Alle drie zijn broers hadden voor een leven op zee gekozen, die zagen de wereld van oost naar west, van noord naar zuid. En hij? Hij moest zijn vader opvolgen als loods en zou nooit meer zien dan Texel. Hij was nooit ver weg van Antje, maar was dat een voordeel? Wilde ze een man die iedere dag thuiskwam? Die weinig meer te vertellen had dan: ik heb vandaag weer een schip veilig naar zee geloodst?
Van onder zijn wimpers gluurde hij naar haar. Ze schuifelde met haar familie de kerkbank uit en liep door het middenpad naar de buitendeur van de vermaning. Wat was ze mooi! Ze kwam steeds dichterbij. Zo dichtbij dat hij haar kon aanraken als hij zijn hand uitstak.
Antje, kijk naar mij!
Hij slikte haar naam in. Het was niet gepast om in de vermaning te praten, dat had zijn moeder hem al honderd keer toegebeten. Zo meteen, buiten, zou hij naar haar toe rennen en ervoor zorgen dat ze hem wél zag staan. En die hooghartige Lourens Smit volledig zou vergeten. Die visvreter liep met zijn familie vlak achter haar, zijn blonde haren keurig in een scheiding, zijn neus arrogant de lucht in, alsof hij de burgemeester zelf was.
Ach, die blonde snoeshaan was geen bedreiging. Antje was bijzonder, zij hield niet van keurige scheidingen, of van haar zo blond als vlas. Zij hield van ontembare krullen, die net zo donker waren als haar eigen haar.
Ze pasten bij elkaar. Zoals een commandeur op het dek van een walvisvaarder hoorde, zo hoorde hij bij haar. Het moest alleen nog uitgesproken worden en dan…
Een scherpe kneep in zijn bovenarm. ‘Haal die grijns van je gezicht,’ fluisterde zijn moeder in zijn oor. ‘En kijk niet zo onbeschaamd naar die juffer van Swart. Je bent in het huis van God, nota bene.’
‘Ja, moeder,’ mompelde hij en richtte zijn blik op zijn zondagse schoenen. Ze knelden.
In slakkengang ging hij achter zijn vader en moeder aan, die statig door het gangpad liepen. Zodra de waterige zon op zijn hoofd scheen en de wind door zijn krullen waaide, verliet hij de stijve rij en holde om de kerkgangers voor hem in te halen. Bijna gleed hij uit over de kinderkopjes, die nog nat waren van de bui van vanochtend, maar hij strekte zijn armen als een meeuw zijn vleugels en vloog verder. Al snel had hij haar in het zicht. En niet alleen haar. Ze was met Lourens. Bij een noordwesterstorm, die lazerstraal moest opdonderen! Antje leek gezellig met hem in gesprek. Ze deed vast alsof, om beleefd te zijn.
‘Zie je dat?’ zei hij tegen Maarten, toen die hem ingehaald had. ‘Ik moet Antje verlossen van die zelfingenomen commandeurszoon. Hoe krijg ik hem daar weg?’
‘Stuur ’m weg,’ zei Maarten simpel.
‘Dat had ik zelf ook al bedacht. Maar ik heb een goede smoes nodig.’ Hij keek naar de voorbijstromende kerkgangers. Hier en daar bleven groepjes mensen staan om te praten, maar de meesten liepen door, op weg naar een herberg of tapperij. Geen familie Smit te bekennen.
Tijs speurde de omgeving af. Daar, naast de ingang van de vermaning, stond commandeur Smit met zijn vrouw in een groepje van hoge stand. Ze hadden allemaal pruiken en hoeden op. Het zou wel rieken daar, bij die bekakte lui.
‘Tijd om die stinkerd terug naar zijn eigen soort te sturen.’ Hij stapte op Antje en Lourens af. ‘Jongeheer Smit, uw vader vroeg naar u. Of u zo snel mogelijk wilt komen.’
Achter hem hoorde hij Maarten grinniken. Als die het nou maar niet verpestte!
‘O.’ De teleurstelling droop van zijn smoel.
‘Dan moet je maar snel gaan,’ zei Antje. ‘Vaders hoor je niet te laten wachten.’
Gelijk had ze. ‘Uw vader staat daar.’
Lourens keek in de aangewezen richting, maar leek zijn vader niet te zien. Moest híj op walvisvaart? Hij zou het beest nog niet zien als hij met een klap van de staart overboord geslagen werd.
‘Dáár.’ Net op tijd slikte hij ‘blinde koe’ in.
Schoorvoetend nam Lourens afscheid en Tijs pikte meteen zijn plaats in. Antje glimlachte naar hem. Ineens was de zon niet waterig meer, maar heet!
Hij keek in haar groenblauwe ogen. Ze hoefde maar te wenken en hij zou voor haar in de diepste diepte van de zee springen.
‘Heb je niets te zeggen?’ vroeg ze spottend.
‘Je ziet er mooi uit.’
Ze bloosde en streek een denkbeeldig pluisje van de omslagdoek die over haar schouders hing.
Als ze het koud had, wilde hij haar wel verwarmen. Maar dat kon hij beter niet hardop zeggen. Wat dan wel? ‘Over een paar weken…’
‘Gaat Lourens op walvisjacht.’
‘Lourens?’ Hij wist het smerig te laten klinken.
‘Hij vaart weer uit. Deze keer als matroos. Hij gaat op walvissen jagen!’ zei ze duidelijk onder de indruk.
Tijs trok zijn neus op. ‘Waarschijnlijk mag hij alleen mee omdat ze iemand nodig hebben om het dek te zwabberen. Niet iedere matroos mag deelnemen aan de jacht. Alleen de allerbesten worden daarvoor uitgekozen. Dus hij moet zich eerst bewijzen.’ Hij hoorde zelf hoe dom zijn opmerking was. Als zoontje van de commandeur hoefde Lourens dat natuurlijk niet.
‘Hij heeft zich vorig jaar al bewezen, nou en of.’
Die blik in haar ogen. Ze bewonderde Lourens. De zoon van een commandeur was natuurlijk interessanter dan de zoon van een loods. Die had meer geld en meer status, dat snapte hij, maar het brandde in zijn hart. ‘Zijn vader zal hem wel voortrekken.’
‘Niets daarvan. Lourens gaat niet met zijn vader mee, maar met een bevriende commandeur uit Ameland. Ze gaan naar Straat Davis, net als mijn vader,’ zei ze. ‘Hij gaat mee met de eerste reis van commandeur Klaas Jacobszoon Daalder.’
De heer Daalder als commandeur? Tijs kende hem van gezicht, of beter: van de zwarte hoed met de twee rode veren die hij altijd droeg. Hij woonde ook in Den Hoorn, was ook doopsgezind en had zojuist de dienst bijgewoond. De man kon nog geen dertig zijn, dus hij had geen zonen die oud genoeg waren om mee te gaan als kajuitwachter. Nou, Tijs wist iemand die wél oud genoeg was! ‘Ik ga ook op walvisjacht.’
Achter hem kuchte Maarten, terwijl Antje vroeg: ‘Werkelijk waar? Je vader is toch loods?’
‘De beste van Texel en omstreken. Maar ik wil meer zien dan de eilanden. Ik wil over de wereldzeeën zeilen, avonturen beleven en genoeg geld verdienen, want ik wil trouwen later en goed voor mijn vrouw en kinderen kunnen zorgen.’
Het rood van haar wangen werd vurig. En die blik in haar ogen… De bewondering was nu voor hém. Alsof hij in zijn eentje een walvis had gedood. ‘Ik, Tijs Vaartjes, zal voor jou op walvisjacht gaan.’ Maarten leek achter hem te stikken, maar Tijs ging door. ‘Ik kom terug als de Grote Walvissendoder en neem voor jou een aandenken mee. Zeg maar wat je hebben wilt.’
Antje richtte haar blik verlegen op haar voeten. De rok van haar jurk bewoog en de wind warrelde hem een stukje omhoog, zodat hij haar kous kon zien.
Hij hoorde niet te kijken. ‘Zal ik een balein van een walvis voor je meenemen?’
Ze trok haar bovenlip op. De afkeuring in haar ogen maakte haar gezicht hard, terwijl ze zo zacht was als warme boter.
Ze had gelijk, een hoornen plaat uit de stinkende bek van een walvis was geen geschikt cadeau voor het mooiste meisje van Texel. ‘Wat dacht je van de sneeuwwitte vacht van een ijsbeer? Ik laat er een mantel van maken, zodat je het nooit meer koud hebt.’
Ze sloeg haar ogen half dicht. ‘Ik wil slechts één ding en dat is dat mijn moeder gezond is. Dan ben ik gelukkig. Dat kun jij mij niet geven, Tijs.’
Even was hij sprakeloos. Haar moeder… Wat stom dat hij daar niet aan gedacht had. Dat hij daar niet even naar gevraagd had. Terwijl hij heel goed wist dat mevrouw Swart een zwak gestel had en regelmatig ziek in de bedstede lag. Ook vandaag was ze afwezig. Hij wilde Antje troosten, maar hoe?
Haar ogen waren blauwer dan de zee. Hij voelde de deining in zijn maag, in zijn benen. ‘Ik weet nog niet hoe, maar ik zal je dat geluk brengen. Er moet een manier zijn om je moeder beter te maken. Denk aan mij, Antje, als ik uitvaar voor jou.’
‘Ik zal voor je bidden.’
Meer kon hij niet wensen.
‘Antje!’ riep een barse mannenstem.
‘Ik moet gaan.’ Ze draaide zich om en liep naar een man met vaalbruin haar. ‘Vader…’
Maarten kwam naast hem staan, met tranen in zijn ogen. ‘Op walvisjacht?’ proestte hij.
‘En waarom niet?’
‘Wat vinden je ouders daarvan?’
‘Ehm…’ Daar had hij geen moment aan gedacht. ‘Ik haal ze wel over.’ Dat moest, hij had nu al tegen Antje gezegd dat hij op walvisvaart zou gaan. En dat niet alleen… Dit was zijn kans om Texel te verlaten! Een nieuwe commandeur had goede, betrouwbare mannen nodig. ‘En daarna ga ik naar Klaas Daalder. Hij gaat mij aannemen als kajuitwachter.’
Maarten schudde zwijgend zijn hoofd.

Tijs liep heen en weer door de voorkamer. Voor de zoveelste keer keek hij uit het raam. Niemand. Hoelang duurde het om een borrel te drinken?
‘Tijs, wat ben je aan het doen?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik word nerveus van je.’
‘Ik wacht op vader.’
‘Die komt vanzelf terug. Maak jezelf eens nuttig en ga turf halen.’
Tijs sprintte weg en vulde de voorraad bij de kachel aan. Misschien is dit wel de laatste keer dat ik turf haal, dacht hij. Zelfs een van de laatste keren dat ik klusjes doe voor moeder. Straks zou hij het hulpje van de commandeur zijn. Een veredelde sloof, maar wél een sloof op een walvisvaarder, die langs ijsvelden en ijsbergen op walvisjacht zou gaan!
Tijs’ huid tintelde ervan. Over een paar weken zou die tintelen van de kou. Nou, dat kon hij aan. Hij kon alles aan! Als zijn vader een beetje opschoot.
De deur van hun huis ging open en Tijs rende naar de hal. Eindelijk! Een getaand gezicht omringd met haren als uitgeplozen touw en de geur van alcohol. Geen beter tijdstip voor moeilijke vragen dan na de zondagse borrel.
Hij liep met zijn vader mee, wachtte tot die ging zitten en schoof een houten bankje onder zijn voeten. ‘Vader, ik wil u iets vragen.’
Zijn moeder kwam uit de keuken en schoof bij. ‘Het moet iets belangrijks zijn, want hij drentelt al de hele middag rond.’
Moest zijn moeder niet aan het eten beginnen? Als een van zijn broers afscheid kwam nemen, deed ze altijd zo dramatisch, over dat ze haar zonen aan de zee verloor. Dat kon Tijs nu niet gebruiken. Zijn vader mocht maar één antwoord geven en dat was: JA.
‘Kom voor de dag met die vraag van je,’ zei zijn vader.
‘Nou…’ Alle mooie woorden die hij die middag bedacht had, waren weg. Wat als zijn vader het niet goed vond? Tijs kreeg klamme handen. Als zijn vader het niet goed vond… Nee, niet aan denken. Hij zou zijn vader overhalen, zo simpel was het. ‘Ik weet dat het de bedoeling is dat ik u op ga volgen als loods.’
‘Maar?’ De kraalogen van zijn vader werden kleiner.
‘Maar ik zou graag de oceanen bevaren, verre werelden ontdekken. Er is een nieuwe commandeur en die heeft bemanning nodig. Mag ik me van u aanbieden als kajuitwachter?’
‘Geen sprake van.’
Het voelde alsof Tijs een klomp naar zijn hoofd gegooid kreeg. ‘Maar vader…’
De kraalogen krompen tot speldenknoppen. ‘Je hebt me gehoord. Is mijn loodsboot niet groot genoeg? Het werk niet goed genoeg?’
‘Vader, daar gaat het niet om. Uw werk is belangrijk.’ En saai. En gewoontjes. ‘Ik wil zo graag…’
‘Wij willen dat je thuis blijft,’ zei zijn moeder resoluut. ‘Drie zonen op zee is meer dan een moederhart aankan.’
Daar ging ze weer… Wat kon hij nog zeggen? ‘Mag ik ook niet voor één keer? Voor één reis?’
‘We gaan een druk seizoen tegemoet, ik heb je nodig,’ zei zijn vader.
Tijs liet zijn schouders hangen en knikte om aan te geven dat hij het begrepen had. Verder aandringen zou geen zin hebben. Nu niet, dacht Tijs, maar hij is nog niet van mij af. Ik ga op walvisjacht! Hoe dan ook.


 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Geheugenstrijd