Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Lezers op de foto

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Boekpresentatie

Recensies

 

Hoofdstuk 1

Hendrik wapperde met zijn verkleumde vingers, maar het hielp niets. De lappen die hij om zijn handen had gewikkeld, hadden ook van gaas kunnen zijn. Vanbinnen was hij net zo koud als vanbuiten; de gure wind sneed dwars door de vodden die hij droeg. Hendrik verlangde naar een dak boven zijn hoofd, een warme stoof, met vier anderen op elkaar gepakt in de kribbe liggen.
Nee, dacht hij, ik ga niet terug.
Vlak achter hem klonk het ratelende geluid van een koets. Hendrik sprong aan de kant en glibberde over de kinderkopjes waarop een verraderlijk laagje ijs lag. Als hij niet uitkeek, gleed hij zo de gracht in. Misschien is dat niet eens zo erg, dacht hij. Dan is het maar voorbij.
Met een ruk hief hij zijn hoofd. Zijn gedachten waren net zo zwart als de afgelopen nacht was geweest. Pas één dag weg uit het Aalmoesseniershuis, pas één nacht doorgebracht onder de sterren, pas drie maaltijden gemist en nu al zag hij het niet meer zitten. Waar waren zijn straffe plannen gebleven?
Op eigen benen staan, werk zoeken, een huis om in te wonen; zo moeilijk kon dat niet zijn. Hij had niemand nodig, hij kon voor zichzelf zorgen.
De geur van verse vis deed hem watertanden. Waar hadden zijn voeten hem gebracht?
In de gracht lagen schuitjes die half gevuld waren met zeewater. Mannen in lange, zwarte jassen stonden wijdbeens op planken te wippen, waardoor het water in de schuiten golfde en de vissen langer bleven leven. Andere mannen, ook in lange, zwarte jassen, onderhandelden over de prijs. Allen hadden de kenmerkende, kromme neuzen waarmee ze geld konden ruiken. Joden.
Hij was op de Houtgracht aanbeland, bij de Joden Vischmarkt. Hier hoefde hij niet op werk te rekenen. Joden zorgden voor joden. Net zoals de Amsterdammers voor hun eigen volk zorgden en de Franse honden alleen aan zichzelf dachten. Voor buitenstaanders was er niets. Ja, het Aalmoesseniershuis. Maar daar was je niet veilig, niet na je veertiende verjaardag. Dan werd je weggestuurd om een vak te leren. Hendrik had er eerst naar uitgekeken om in de leer te mogen bij een timmerman, mandenmaker of kuiper in de stad. Tot hij in de gaten kreeg dat de regent van het weeshuis de jongens naar het platteland stuurde om te leren boeren. De gluiperd was net zo inhalig als Hendriks moeder. Hij had Johan, Drees en Jan verbannen voor een paar extra duiten, dat wist Hendrik zeker. Nou, dat liet hij niet gebeuren!
Gisteren was hij jarig en zijn plan was simpel: wegwezen. Hij was een Amsterdammer, ook al had hij het grootste deel van zijn leven buiten de stadspoorten doorgebracht, steeds weer in een ander dorp, een ander huis. Zeven maanden geleden was hij teruggekomen en had gezworen hier te blijven. Amsterdam was zijn thuis. Hij kende iedere steeg, iedere brug, iedere poort. Mooi niet dat de regent hem naar het platteland…
‘Jongen,’ klonk een hese stem achter hem.
Hendrik draaide zich om. Een man met een lang gezicht, een puntig baardje en donker haar dat recht boven de wenkbrauwen was afgeknipt, keek hem onderzoekend aan. Boven een kniebroek met smetteloze laarzen droeg de man een kort vest. ‘Kun je lezen?’ vroeg hij. In zijn geschoeide hand hield hij een stuk papier waar een touwtje omheen zat.
Een boodschap? Dat betekende misschien wel werk! Hendrik twijfelde over wat hij moest antwoorden. In het Aalmoesseniershuis had hij lessen gekregen. Hij kende de letters van het alfabet, maar woorden en zinnen begrijpen, dat was iets heel anders. Zocht deze man een bode die de boodschap niet kon lezen? Hendrik schudde zijn hoofd als antwoord op de vraag.
‘Weet je waar de Joden Heerengracht is?’
Dat was ook wat, dat deze niet-jood, op de Joden Vischmarkt een andere niet-jood vroeg om een boodschap in de jodenbuurt af te geven. ‘Zeker, mijnheer. Ik ken heel Amsterdam.’
‘Wil je twee stuivers verdienen?’
‘Graag, mijnheer, heel graag.’ Hendrik kon de begerigheid niet uit zijn stem weren. Van twee stuivers kon hij een brood kopen, misschien ook nog wat stokvis of boter. Als hij zuinig deed, kon hij daar een paar dagen van eten. Hij probeerde zo beschaafd mogelijk te praten. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’
De man hield hem het stuk papier voor. Hendrik keek van de man naar het papier en weer terug. Hij had deftige kleren aan, sprak keurig, maar er was iets aan hem dat niet klopte. Daar, het gebeurde weer. De man keek gejaagd over zijn schouder, alsof hij bang was gezien te worden.
‘Breng deze boodschap naar dokter Lémon op de Joden Heerengracht. Het is het vijfde witte huis aan de rechterkant, met een mannenhoofd in de gevel. Geef de boodschap aan niemand, behalve aan de dokter persoonlijk.’
Hendrik hield zijn hand op. ‘Dat zal ik doen, mijnheer. De boodschap afgeven aan dokter Lémon op de Joden Heerengracht.’
De man gaf hem het papier en zocht in zijn beurs naar de beloning. De lucht was grauw, en toch leken de stuivers te schitteren alsof ze door de zon beschenen werden. De man hield ze vlak voor Hendriks neus. ‘Denk erom dat je rechtstreeks naar je bestemming gaat en precies doet wat ik je heb opgedragen.’
Hendrik kon zijn ogen niet van de munten afhouden, maar bedwong zich om de stuivers uit de vingers van de man te graaien. ‘Zeker, mijnheer, u kunt mij vertrouwen.’
Eindelijk gaf de man de stuivers af. ‘Vort dan.’
Hendrik stoof ervandoor. De stuivers brandden in zijn ene hand, het papier in zijn andere. Deze boodschap moest belangrijk zijn. Misschien zelfs wel gevaarlijk. Dat was rennen over de spekgladde keien ook. Hij ging langzamer lopen, zo kon hij meteen het papier bekijken. Aan de buitenkant was niets te zien, op wat vouwen na. Zou hij? Hij had de man een belofte gedaan, maar wat was een belofte nou waard?
Hendrik spiedde om zich heen en verstijfde. Vijf herenhuizen achter hem stond de man van de boodschap! En hij keek nou niet bepaald vriendelijk. Snel stopte Hendrik het papier weg en liep verder, rechtstreeks naar de Heerengracht. De venijnige blik van de man prikte in zijn rug. Die boodschap moest van het grootste belang zijn. Welk nieuws was de achtervolging van een simpele bode waard?
Hij sloeg de hoek om en kwam in de Weesperstraat. Weg was het stekende gevoel in zijn rug. Hij keek over zijn schouder, zijn achtervolger was verdwenen.
Hendrik wachtte nog even, maar de man vertoonde zich niet meer. Mooi. Hij dook een portiek in, weg uit de snijdende wind, en boog de zijkant van het papier dubbel. Met wat wurmen en duwen schoof het papier uit het touw. En dat zonder de knoop los te hoeven maken! Voorzichtig vouwde hij de boodschap open.

 

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Geheugenstrijd