Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Recensies

 

Hard en oneerlijk

Amsterdam, 1583

Gobel schraapt de laatste restjes van zijn ochtendpap uit de houten nap. In de beige smurrie op zijn lepel zitten klontjes. Hij knijpt zijn ogen samen en slikt het goedje in één keer door. Zijn maag knort nog steeds. Volgens de weeshuismeester, meneer DeGoede, mag hij blij zijn dat hij iedere dag eten krijgt en dat hij niet hoeft te bedelen. Moet hij dankbaar zijn dat de weeshuismeester hem heeft opgenomen toen zeven jaar geleden zijn familie aan een vreselijke ziekte stierf. Gobel overleefde de ziekte wel, maar zijn gehoor ging verloren. Soms vraagt hij zich af of hij op straat niet beter af zou zijn. Daar is het leven hard, maar wel eerlijk. Terwijl het in het weeshuis hard en oneerlijk is.
Met een zucht staat Gobel op en loopt langs de kinderen die nog eten. Hij houdt hun benen goed in de gaten, want hij wil niet weer pootje worden gelicht. In de grote bak met troebel water wast hij zijn nap en zijn lepel af en verlaat de eetzaal. Zijn ontbijt heeft hij in ieder geval binnen. Een goed begin van de dag. Misschien zijn Hobbe en zijn vrienden nog tevreden omdat ze gisteren mijn avondeten hebben afgepakt, denkt hij. Misschien laten ze me vandaag wel met rust.
In de gang zitten een paar jongens op de grond te kletsen. Hij loopt er met een grote boog omheen en houdt zijn blik op de grond gericht, zodat hij niet kan zien wat ze zeggen. Als hij rechtstreeks naar de jongens kijkt, levert dat meestal problemen op. Alsof hij ze daarmee uitdaagt, terwijl hij alleen maar hun lippen probeert te lezen.
Net voor de deur van de slaapzaal voelt hij een stomp in zijn zij. Hij kreunt van de onverwachte pijn en sprint weg. Vluchtig kijkt hij over zijn schouder. Oh nee, Hobbe en zijn vrienden.
Naar buiten voordat ze me grijpen, denkt Gobel. Daar raak ik ze wel kwijt in de steegjes.
Hij rent door de smalle gangen van het weeshuis, terwijl hij de hete adem van zijn achtervolgers in zijn nek voelt. Af en toe graait er een hand die net de stof van zijn hemd raakt. Ze halen hem in! Gobel rent zo hard dat de omgeving als een wazige streep aan hem voorbijschiet. Alleen de voordeur van het weeshuis ziet hij helder. Hij is er bijna.
Uit het niets verschijnt een van de vrienden van Hobbe. Hij gaat met zijn handen in de zij voor de deur staan en grijnst gemeen.
Gobel kan maar één ding doen: dwars door het obstakel heen. Als ze hem te pakken krijgen... Hij haalt diep adem, zet zich schrap en sprint vooruit. Met een knal beukt hij tegen de jongen aan. Ze buitelen op de grond, Gobel bovenop, waar hij even duizelig blijft liggen. Dan wordt hij achter in zijn nek gepakt en van de jongen afgetrokken. Hij draait zijn hoofd en kijkt in het doortrapte gezicht van Hobbe.
‘Dacht je echt te kunnen ontsnappen, dove drollendraaier?’ Zijn lippen vormen de woorden luid en duidelijk.
Gobel aarzelt niet. Vanuit zijn onhandige positie, tussen liggen en staan in, slaat hij Hobbe recht in zijn arrogante gezicht. Zijn knokkels beuken tegen de tanden en neus van zijn vijand. Hij voelt het kraken.
Hobbe laat hem los en grijpt vloekend naar zijn neus. Gobel probeert weg te kruipen, maar krijgt een harde schop in zijn zij. Hij slaat dubbel van de pijn en wordt omringd door de duistere schaduwen van de vrienden van Hobbe. Gobel kan geen kant meer op. Hij weet wat er gaat gebeuren, maar de gebroken neus van Hobbe is het waard.

Gobel


Hij rolt zich op tot een bal en beschermt zijn gezicht tussen zijn armen. Van voor, van achter en van opzij wordt hij geschopt. De lucht wordt uit zijn longen gedreven en zwarte strepen verschijnen voor zijn ogen. Nog een schop en nog een en nog een. De pijn wordt ondraaglijk. Gobel krijgt geen adem meer.
Dan gaat de voordeur open en wordt hij overspoeld met licht en lucht. De schoppen blijven uit. Moeizaam heft Gobel zijn hoofd. In de deuropening staat een grote, gespierde man. ‘Wat is hier aan de hand?’ zeggen zijn lippen.
Ondanks de rode baard en snor kan Gobel goed zien wat de man zegt. Zijn doordringende blik schiet via Gobel naar de groep om hem heen. ‘Met zijn allen tegen één? Dapper, hoor! Durven jullie dat ook tegen mij?’
Hobbe en zijn vrienden druipen af en zijn redder helpt hem overeind. ‘Gaat het, jongen?’
‘Jaah, m’neer.’
De man trekt zijn wenkbrauw op. Dat doet iedereen die Gobel de eerste keer hoort praten, daar is hij aan gewend. Volgens Hobbe loeit hij als een koe die in haar uiers wordt geknepen.
‘Je moet terugvechten!’
‘Jaah, m’neer.’
‘Weet jij waar de weeshuismeester is?’
‘Jaah, m’neer.’ Gobel zet een paar onvaste stappen. Zijn hele lijf doet zeer, alsof hij een kledingstuk is dat is uitgewrongen, maar hij verbijt de pijn en leidt de roodharige man naar de deur van het kantoor van meneer DeGoede. Als zijn redder na een klop op de deur in het kantoor verdwijnt, zakt Gobel uitgeput op de grond.

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
De boom in