Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Verhalen

Auteurs

 

Schatten uit de Schaduw bevat twee verhalen van Bianca Mastenbroek.
Bananen en zand is gebaseerd op het skelet van een Soenda Langoer aapje dat in de 17e eeuw in het secreet van het Rode Weeshuis is gevonden.
In de goot
gaat over een gouden ring met twee saffieren en hoe deze op de Markt in Groningen terecht is gekomen in de 15e eeuw.

Van beide verhalen kun je hieronder een fragment lezen en... beluisteren!

Bananen en zand

Groningen, 1628

De driemaster werd gelost. Schreeuwende mannen trokken kisten aan touwen omhoog en lieten ze boven de kade weer zakken. Een grote kist zwaaide gevaarlijk heen en weer. Nog meer geschreeuw. Een harde dreun toen de kist op de kade viel. Gevloek. Jongens renden alle kanten op. Karren ratelden langs.
Al die drukte. Al die mensen. Jantien wilde terug naar huis. Niet dat het daar rustig was, maar daar voelde ze zich beter. Minder leeg. In het weeshuis had niemand een papa of mama. De jongens die hier rond renden wel. Zij gingen straks naar huis en konden aan hun ouders vertellen wat ze allemaal gedaan hadden. Mama zou nooit weten dat ze hier de hele middag met Appie had gezeten. Mama was dood. Papa was dood. Ze had alleen Appie nog.
Hij zat al de hele middag met rode wangen en een brede glimlach te kijken naar alle schepen en de drukte op de kade. Af en toe wees hij haar iets aan of legde iets uit. Hij had niet in de gaten dat het haar niets kon schelen.
Vroeger pestte hij haar wel eens. Of antwoordde hij niet als zij iets vroeg. Sinds papa en mama dood waren, deed hij altijd aardig. En maakte grapjes, speciaal voor haar. Ze kon er niet om lachen. Er zat een lege plek in haar buik die pijn deed. Een lege plek die niet wegging, hoe vaak en hoe veel ze ook at. Soms dacht ze dat er een gat in haar buik zat. Als ze naar beneden keek, was er niets te zien. Waarom voelde ze zich dan hol?
Drie mannen verlieten over de houten loopplank het schip.
‘Oh,’ zuchtte Appie. ‘Wat voor avonturen zullen zij beleefd hebben?’ Hij keek uit over het Damsterdiep, in de richting waarin de schepen wegvoeren.
Zou hij ook weg willen? Hij had verteld dat hij van vader moest nadenken over een leerplek. ‘Word je slager, net als papa?’ had zij gevraagd.
Hij had een vies gezicht getrokken. Ze had van alles voorgesteld: smid, kaarsenmaker, wagenbouwer, lepelsnijder, maar nee, dat wilde hij niet. Wat hij wel wilde, wist hij niet. Misschien wist hij het nu wel. Wilde hij kapitein worden op een schip. ‘Wil je weg?’
Hij draaide zich naar haar toe. ‘Ja. Nee, bedoel ik. Kijk niet zo verschrikt. Ik laat je echt niet alleen.’
‘Echt niet?’
‘Echt niet. Ik ga misschien bij de touwslager in de leer. Daar komen veel kapiteins voor nieuwe zeetrossen. Dan kan ik in ieder geval hun verhalen horen.’
Hij wilde weg. Dat voelde ze. De lege plek in haar buik stak.
‘Jantien, zie jij wat ik zie?’ Hij wees naar de loopplank waarover een lange man liep.
De man droeg een zwarte kapiteinssteek. Hij had brede schouders en… bewoog daar wat? Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Op de rechterschouder van de kapitein zat een pluizige bol donkergrijze haren. Was dat een aapje?
‘Het is een aapje,’ riep Appie uit. Hij trok haar mee naar de kapitein.
‘Ahoy!’ groette de kapitein vriendelijk.
Ze staarde naar het beestje op zijn schouders. Het was echt een aapje. Een levende! Boven op zijn kop staken de haren recht omhoog, waardoor hij een grappige kuif had. Met zijn bolle, grote ogen keek hij haar ondeugend aan. Hij leek te grijnzen, alsof hij een stout plan had.
Ze moest wel terug lachen. Hij zag er zo komisch uit. Zo lief ook.
Het aapje strekte zijn armpje en pakte de kapiteinssteek beet. Met een zwaai belandde die op het hoofd van Appie. Ondanks zijn rode weeshuiskleren zag hij er meteen uit als een stoere zeebink. ‘Appie de kapitein,’ zei ze.
‘Oe oe,’ vond ook het aapje. Hij grijnsde breed.
‘Wat is dat?’ vroeg Appie. ‘Zie ik een lach op het gezicht van mijn zusje?’
Een lach? Het was waar. Er stond een lach op haar gezicht. Een lach die door haar hele lichaam bruiste. ‘Hij is zo leuk!’ Ze strekte haar armen in de richting van het aapje. Het beest sprong meteen naar haar toe.

Klik om een volgend fragment te beluisteren.

 

© Remco Nieboer

In de goot

Groningen, 1447

Siebe trok een oude, leren wambuis van zijn vader over zijn hemd aan. Hij snoof, het leer rook nog een beetje naar zijn vader. De wambuis was veel te groot en bij zijn hals gingen de vetersluitingen niet meer dicht. Het was de ideale verbergplek. Met de donkergroene vilthoed op die hij een paar weken geleden eerlijk gestolen had, leek hij een keurige jongeman.
‘Ga je weer werken?’
Hij schrok van zijn zusje, die op haar blote voeten zo stil als een geest door de kamer liep.
‘Ik zal wel moeten, als we niet in het weeshuis terecht willen komen, Derkje.’
Zijn zusje trok wit weg. ‘Wanneer komt papa thuis?’ vroeg ze met een klein stemmetje.
Siebe onderdrukte een zucht. Die vraag had ze al honderd keer gesteld. ‘Misschien vandaag wel.’ Zijn vader was met Gronings laken op een schip naar Schotland vertrokken. Daar zou hij het verkopen en op zoek gaan naar nieuwe waar om hier te verhandelen. Soms was hij weken en soms maanden weg. Deze keer voelde het als jaren.
‘Ik mis hem zo.’ Tranen sprongen in Derkjes ogen. ‘Ik mis mama zo.’
Siebe wilde haar tranen niet zien. Dan moest hij ook huilen en hij moest sterk zijn. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Ik mis ze ook. Maak je niet ongerust. Papa komt vast snel terug en tot die tijd zorg ik voor ons.’ Sinds zijn moeder was overleden moest hij voor geld en eten zorgen. Niemand mocht weten dat ze dood was, want dan werden ze in het weeshuis gestopt.
Hij hoefde het alleen maar vol te houden tot zijn vader terugkwam. Dan zou alles goed komen. Tot nu toe had hij keurig op tijd de pacht betaald voor hun huisje. Het achterdeel van het huis was nu leeg, daar sloeg zijn vader de voorraden op. In het voorste gedeelte woonden ze. Het was niet groot, maar sinds zijn moeder was overleden, was het er leeg en kil. Alsof met zijn moeder alle gezelligheid en warmte was verdwenen. Maar als zijn vader er weer was, kwam alles goed. Hij hoefde alleen maar vol te houden en op tijd de pacht te betalen. Dat lukte niet met het geld dat hij verdiende als loopjongen en sjouwer in de haven. Daar kon hij amper hun magen van vullen. Daarom had hij iets anders verzonnen. Iets waar Derkje niets van af mocht weten. Morgen moest er weer pacht betaald worden en hij had nog niet het hele bedrag bij elkaar. Geen tijd meer te verliezen. ‘Ik ga.’

Luister naar het spannende vervolg.

© Remco Nieboer


 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Geheugenstrijd