Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

in de schaduw van de Geselberg

Fragment

Introductie

Verhalen

Medewerkers

Boekpresentatie

 

Verhaal 
Beproeving van water
en vuur

Wedde, 1589

...Geeske snoof aan de roomteil. Ja, de room was voldoende verzuurd. Ze nam de teil mee naar buiten waar de karnton stond. Vanavond kreeg Heer Ort verse boter bij de maaltijd.
Terwijl ze de room in de karnton heen en weer slingerde, schoten de gedachten door haar hoofd. Ging de drost echt een tovenaar oppakken? Ze kon zich niet voorstellen dat er iemand in Westerwolde was die zich bezighield met kwalijke magie. Met de duivel…
Ze kende iedereen in de heerlijkheid, niemand zou God zo verloochenen. Als de duivel in Westerwolde rondwaarde, dan was hij vast en zeker met de Spaanse soldaten meegekomen. Die plunderaars brachten alleen maar moeilijkheden.
Hoefgetrappelkondigde Heer Ort aan, die aan het hoofd van een lange stoet het terrein opkwam. Hij zag er vorstelijk uit. Onder de fluwelen korte schoudercape droeg hij een donkergroene buis met een stijve, geplooide kraag die zijn gezicht omlijstte als een sieraad. Een donkerbruine platte muts, versierd met vijf veren, tooide zijn hoofd. Zijn spitse baard en puntige snor zorgden voor een gedistingeerd uiterlijk. Mathias Ort was een Heer, in alles. Geeske prees zichzelf gelukkig dat ze hem mocht dienen.

© Remco Nieboer

Achter de scherprechter, een tiental soldaten, de richters en de twaalf gezworenen ratelde een kar waarop een halfnaakte, kletsnatte Johan Tonnis was vastgebonden. De man zag er verloren uit, met zijn hangende schouders, zijn gebogen hoofd en zijn verslagen blik.
De kar werd omgeven door jouwende mensen. ‘Schorum!’ ‘Tovenaar!’ ‘Duivelsgebroed!’ De omstanders leken onverwacht hun dagelijkse bezigheden te hebben neergelegd. Vrouwen waren bestoft van het meel of hadden hun omslagdoeken slordig omgeslagen. De mannen liepen in hun simpele werkkledij, vol vlekken en vegen, bijna allemaal zonder hoofddeksel. Het leek alsof heel Westerwolde plotseling was uitgelopen.
Wat was er in hemelsnaam gebeurd?
De scherprechter maakte de gevangene los en sleurde hem achter Heer Ort aan de burcht binnen. Door zijn brede, zwarte tuniek met pofmouwen leek de scherprechter nog pompeuzer en Johan Tonnis nog fragieler.
De omstanders gilden nog wat verwensingen, maar zodra de met ijzer beslagen burchtdeur dichtviel, vielen zij stil. In kleine groepjes dropen zij af.
Uit de menigte maakte zich een jonge vrouw los. Geeske glimlachte en zwaaide.
‘Je gelooft nooit wat er gebeurd is,’ zei Hille. Ze had rode appelwangen van de opwinding. Plukjes blond haar piekten uit haar kapje en de zoom van haar lange jurk zat onder de modder. ‘De drost heeft Johan Tonnis op verdenking van toverij gearresteerd. Volgens getuigenverklaringen zou hij de beste melkkoe van boer Alkema betoverd hebben, waardoor die nu geen melk meer geeft. En je weet toch dat vrouw Meertens zo ziek is geweest? Dat schijnt Johan ook gedaan te hebben!’
Geeske schudde haar hoofd. ‘Is dat werkelijk waar?’
‘En of het waar is!’ riep Hille uit. ‘Na de arrestatie werd Johan naar brug van Wedde gebracht. Wij waren er allemaal bij. Daar werd hij in het water getest, zoals de drost uitlegde. Als het heilige sacrament van de doop teniet was gedaan door een verbond met de duivel, zou het reine water van de rivier de tovenaar niet opnemen. Als hij onschuldig was, zou hij ondergaan.’
Geeske boog zich voorover. Ze wilde het verhaal uit haar vriendin trekken.
‘Toen bond de scherprechter Johans rechterduim aan zijn linker grote teen en zijn linkerduim aan zijn rechter grote teen vast. Met een touw om zijn middel werd Johan in de Aa gegooid, alsof hij een steen was. Maar hij was geen steen, hij zonk niet. Heel even dompelde hij onder, om meteen weer boven te komen drijven. Dus het bewijs is geleverd. Johan Tonnis is een tovenaar.’
Geeske stond versteld. De knecht die altijd de lekkerste kool en rapen kwam brengen... Ze kreeg een hol gevoel in haar maag. Haar moeder, haar vader en zijzelf aten regelmatig de restanten van de maaltijd van hun Heer. Had zij betoverde rapen op?
‘Gaat het wel?’ vroeg Hille. ‘Je ziet zo bleek ineens.’

© Remco Nieboer

Slechts één kaars brandde in de bijkeuken. Donkere schaduwen lagen over degezichten van haar ouders. Het leek wel of het duister Geeske achtervolgde sinds ze in de kelders was geweest.
‘Speel niet zo met je eten, meisje,’ zei haar vader. Hij lachte haar bemoedigend toe. ‘Op een lege maag kun je niet slapen.’
Geeske kreeg geen hap door haar keel. Net toen ze klaar was met haar taken voor de avond, was de scherprechter naar haar toegekomen. De vloer in een kamer in een van de kelders van het poorthuis moest schoongemaakt worden.
Normaalgesproken was de lucht in de kelders muf en vochtig, maar de kamer waar de scherprechter haar heen leidde, rook naar bloed, zweet en angst. In het midden van de kamer stond de ladder die die ochtend bezorgd was. Onder de ladder lagen donkerrode vlekken.
Op haar knieën had ze het bloed proberen weg te boenen, terwijl de beelden van wat er gebeurd was zich aan haar opdrongen. Een gillende Johan Tonnis, vastgespijkerd aan de ladder, uitgerekt door de gewichten aan zijn voeten, gegeseld met de heidebezem. De beelden, het geluid, de stank, het was levensecht. Alsof ze er zelf bij was geweest.
De beelden lieten haar niet meer los. De duivel kan alleen met harde hand verwijderd worden, hield ze zichzelf voor. God is rechtvaardig, God beschermt de onschuldigen.
‘Ik ga naar bed,’ zei ze. Morgen zou ze zich vast beter voelen.

Geeske was het zilverwerk in de hal aan het poetsen toen de deur van de burcht werd opengegooid. Een tweede tovenaar zou binnengebracht worden, dat had ze opgemaakt uit de gesprekken tijdens het ontbijt.
Heer Ort liep met grote passen de burcht binnen, gevolgd door de scherprechter die een tegenstribbelende vrouw in bedwang probeerde te houden. Geeskes hart stond stil. Het was Hille!
‘Hille!’ riep ze uit.
‘Help me, Geeske. Help me!’
‘Houd je mond, feeks,’ zei de scherprechter terwijl hij haar een draai om haar oren verkocht. Hille barstte in huilen uit.
Geeske keek als aan de grond genageld toe hoe haar vriendin in de richting van de kelders werd gesleept, een spoor van waterdruppels achterlatend.

De kaars trilde in haar hand. Op kousenvoeten liep ze door de gangen van de oude vleugel van de burcht. Heer Ort en de scherprechter verbleven in de nieuwe vleugel. Ze had de Heren die avond rijkelijk voorzien van wijn waardoor ze minder bang was voor ontdekking. Zodra ze de burcht verliet, schermde ze met haar hand de kaars af. De wachters in de wachttorens hoefden slechts een blik naar beneden te werpen om te zien dat iemand de binnenplaats overstak… Haar hart klopte in haar keel. Zo hard, dat ze bang was dat het geluid de wachters zou alarmeren. Ze glipte het poorthuis binnen en kwam heel even op adem. Tot nu toe was ze niet gesnapt. Maar wat als de soldaten die hier gelegerd waren wakker werden?
Die liggen hun roes uit te slapen, sprak ze zichzelf toe. Iedere avond kwamen ze een vat bier halen om de tijd mee te doden. Die mannen zouden vast niet opkijken van geluiden uit de cellen. Waarschijnlijk snurkten ze te hard om ook maar iets te horen. Toch voelde Geeske zich een misdadiger met snode plannen in de nacht en liep ze op haar tenen naar de gevangenentoren.
Ze hield het flakkerende kaarsje vlak bij de tralies van de eerste celdeur en gluurde naar binnen. Niets. In een hoekje van de tweede cel lag een verfrommeld hoopje mens. Aan de knokige schouders maakte Geeske op dat het Johan Tonnis moest zijn. Hij lag erbij alsof al het leven al uit hem geglipt was.
Ze slikte de zure smaak die omhoog kwam zetten snel weg en liep door. In de vierde cel vond ze haar vriendin, liggend op de brits. ‘Psttt, Hille,’ fluisterde ze, ‘ik ben het, Geeske.’
Hille kreunde zacht.
‘Hille, wakker worden.’
‘Nee, niet nog een keer. Genade,’ zei Hille.
Er liep een rilling over Geeskes rug. ‘Wees niet bang, ik ben het.’
‘Geeske?’ Hille kwam omhoog, langzaam, alsof ze een oude vrouw was. Ze wankelde in de richting van de celdeur, totdat haar ketens haar tegenhielden. ‘Oh, Geeske,’ snikte ze.
Geeske moest zich vastgrijpen aan de tralies om niet te vallen. Wat hadden ze haar vriendin aangedaan? Haar blonde haardos was verdwenen, haar linkeroog zat dicht, dikke plakken geronnen bloed bevuilden de lompen die ze aanhad.
‘Mijn God, Hille, wat hebben ze gedaan?’ Haar stem trilde net zo hard als haar knieën.
‘Oh, Geeske, ik heb bekend. De pijn... het was ondraaglijk... Ik ben geen toverse, geloof me. Ik heb het niet gedaan.’
‘Dat weet ik, dat weet ik.’ Geeske wurmde haar hand door de tralies heen, maar ze kon haar vriendin niet bereiken.
‘Ik heb het zo koud. Het water heeft mij veroordeeld, ik heb bekend. Ik ben verloren.’
Geeske schudde wild met haar hoofd, alsof ze daarmee de woorden van Hille kon wegjagen. Dit alles was een vergissing. Een vilein plan van de duivel om onschuldigen in de val te lokken. Morgen ging ze met de drost praten. Wat haar moeder er ook van vond. ‘Ik ga een warme steen voor je maken. En ik zal eten voor je meenemen.’
‘Nee!’ gilde Hille. ‘Laat me niet alleen.’ Ze strekte haar hand in een wanhopig gebaar naar Geeske uit.
‘Ik kom terug, dat beloof ik.’

.....

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Vuurproef