Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Recensies

 

1 Zeegroene ogen

‘Isabella, kom je nog?’ riep Boudewijn naar zijn zusje, dat aan de oever van de rivier bloemen aan het plukken was. Ze had een hele bos geel-witte bloempjes in haar handen en plukte zacht zingend verder alsof ze hem niet gehoord had.
‘Isabella, schiet nou op! We moeten naar de perkamentmaker.’
Ze stopte met plukken en keek hem over haar schouder aan. ‘Maar hier staan zo veel mooie bloemen. Die willen met mij mee.’
Boudewijn wenste dat ze voortmaakte. Hij wilde zo snel mogelijk naar de perkamentmaker en dan terug naar huis. Vanavond zou een belangrijk persoon mee-eten. Hij had voorzichtig geïnformeerd naar wie de mysterieuze tafelgast was, maar zijn vader zei dat geduld een goede eigenschap was en dat hij er vanzelf achter zou komen als hij rustig afwachtte. Boudewijn probeerde heel geduldig op Isabella te wachten, maar zijn benen wilden niet stil blijven staan en zijn hoofd bleef bedenken wie die tafelgast zou kunnen zijn. Nog even en hij zou het weten. ‘Ik ga,’ zei hij en liep verder.
Al snel hoorde hij de vlugge voetstappen van zijn zusje. ‘Wacht op mij.’ Nadat ze hem had ingehaald, hield ze de bos bloemen onder zijn neus. ‘Kijk eens.’
‘Ze zijn mooi. Heb je ze voor moeder geplukt?’ Hij kreeg geen antwoord, Isabella rende hem al voorbij.
Ze volgden de oever van de rivier tot aan het huisje van de perkamentmaker. De wind nam de geur van dood vlees met zich mee. Boudewijn trok zijn neus op. Wat een stank! Aan de oever lag een hoop afval. Een bloederige hoop huid, haren en vleesresten waarboven vliegen zoemden.
‘Ik wil daar niet heen,’ zei Isabella met een vertrokken gezicht. Ze pakte de bloemen en hield die onder haar neus.
‘Blijf je dan hier op mij wachten?’
‘Nee, hier stinkt het ook!’
‘We hebben vader beloofd dat we perkament voor hem zouden halen en we mogen hem niet teleurstellen. Adem door je mond, dan ruik je het minder. Kom even bij me staan.’ Hij duwde een losse pluk van Isabella's blonde haar terug in haar kapje, waaruit het ontsnapt was. ‘Zo, nu zie je er weer keurig uit.’
Ze hield haar hoofd een beetje scheef en lachte van oor tot oor. ‘Ik kan er echt niets aan doen dat mijn haar er steeds uitspringt.’
Boudewijn zei er niets van. Hij nam haar mee naar een houten afdak dat naast het huisje van de perkamentmaker stond. Onder het afdak hingen strak gespannen huiden in houten omlijstingen. De huiden waren zo dun, dat ze bijna doorzichtig waren. Op de grond stonden grote bakken met een witte vloeistof. Het leek net dunne melk.
Boudewijn keek om zich heen. ‘Hallo, is daar iemand?’
De deur van het huisje ging open en een meisje van zijn leeftijd kwam naar buiten. Ze droeg haar lange haren onbeschaamd los, op twee dunne vlechtjes na die langs haar gezicht bungelden. Onder aan de vlechtjes zaten kralen en zelfs een veertje. Boudewijn wist dat hij niet naar een meisje mocht kijken dat geen hoofdbedekking droeg, maar hij kon het niet helpen. Haar zeegroene ogen, die hem schattend aankeken, lokten hem.
Ze trok een wenkbrauw op, alsof ze wilde zeggen: wat komen jullie doen?
‘Dag,’ stamelde hij. ‘Ik ben Boudewijn Van Merkum, zoon van …’
‘Van onze landheer,’ vulde ze zijn zin aan. Het laatste woord kwam er spottend uit. Toch keek ze vriendelijk.
‘Wij komen perkament halen voor mijn vader,’ zei Isabella.
‘Kamille.’ Het vreemde meisje wees naar de bloemen in Isabella's hand. ‘Dat is een goede keus: het ruikt lekker en werkt kalmerend.’
Boudewijn lachte. ‘Volgens mij is er niets dat Isabella kalm kan maken.’
Zijn zusje stak haar tong naar hem uit.
De ogen van het vreemde meisje straalden. Ze maakte een lichte buiging met haar hoofd en zei: ‘Ik ben Brianna. Ik zal mijn vader gaan halen voor het perkament.’ Ze draaide zich om en liep weg. Het leek bijna of haar voeten de grond niet raakten.
Isabella gaf hem een zachte duw. ‘Staren is onbeleefd.’
Boudewijn voelde zich beschaamd. Het gebeurde niet vaak dat hij iemand ontmoette die aardig tegen hem deed. En dan gedroeg hij zich onbeleefd ...
De meeste mensen deden alsof hij en zijn familie de vijand waren. De Engelsen fluisterden vaak boos achter hun rug of wierpen felle blikken op hen. Net als de lange, stevige man die op hem af gelopen kwam. Hij had een smerige voorschoot aan en rook naar opgedroogd bloed. In zijn handen hield hij een groot, in leer gewikkeld pak.

De perkamentmaker


‘Ik had jullie dienaar verwacht,’ zei de man en zijn scherpe blik werd zachter. ‘Het is een zwaar pakket voor zo’n magere knul als jij. Kun jij dat wel dragen?’
‘Zeker, heer.’ Boudewijn nam het pakket van de man aan. Hij voelde het gewicht meteen aan zijn schouders trekken. Het leek wel alsof het steen was in plaats van perkament. ‘Alleen kan ik u zo niet betalen.’
Isabella stak haar handen uit. ‘Zal ik helpen? Ik ben net zo sterk als hij.’
Boudewijn deed alsof hij zijn zusje niet gehoord had en gaf het pakket terug aan de perkamentmaker. Hij viste de munten uit zijn beurs en ruilde die voor het zware pakket.
Terwijl ze wegliepen, keek Boudewijn nog een paar keer om, maar Brianna was nergens te bekennen.
‘Heb je last van je nek?’ vroeg Isabella met twinkelende ogen.
Nieuwsgierig zusje! dacht hij. ‘Die man deed best aardig tegen ons. En dat meisje helemaal.’
Isabella huppelde langs de oever van de rivier. ‘Misschien wil zij wel vrienden met ons worden. Ik snap niet waarom de rest zo onaardig doet. Wij hebben toch niets gedaan?’
Boudewijn zuchtte. Hij snapte het wel een beetje. Zijn grootvader had bijna twintig jaar geleden koning Willem I geholpen om Engeland te veroveren. Als dank had hij een stuk land gekregen en van dat land was zijn vader nu landheer. De mensen die er woonden moesten via zijn vader cijns betalen aan de koning. Maar hoe legde je dat uit aan je zesjarige zusje? ‘Ze vinden ons bemoeials,’ zei hij. ‘Dat komt omdat jij zo nieuwsgierig bent.’
Isabella lachte en draaide rond met haar armen wijd. Haar rokken wervelden om haar heen. Ze wankelde en viel op de grond.
Boudewijn rende naar haar toe en ging op zijn knieën bij haar zitten. ‘Dat komt ervan,’ zei hij hoofdschuddend.
‘Jouw gezicht danst om mij heen.’ Ze grinnikte.
‘Blijf maar even rustig zitten. Heb je ergens pijn?’
Ze schudde wild haar hoofd, waardoor er weer plukjes haar onder haar kapje uit kwamen. ‘Ik ben een beetje duizelig.’
‘Blijf dan ook even stilzitten!’ Alsof ze dat kan, dacht hij. Als Isabella niet rende, dan huppelde ze of danste ze. Maar nu bleef ze tot zijn verbazing rustig zitten.
Hij schrok toen hij het perkament in het gras zag liggen. Hij had vader nog zo beloofd om er heel voorzichtig mee te zijn! Snel tilde hij het zware pak op. Het leek niet beschadigd. ‘Kunnen we verder lopen?’ Zijn maag rommelde terwijl hij sprak.
‘Heb je nu alweer honger?’ vroeg Isabella. ‘Je eet vader en moeder nog arm.’
Boudewijn hielp haar met opstaan. ‘Ik kan een heel speenvarken op. En we moeten op tijd thuis zijn voor de maaltijd, je weet dat vader niet van dralen houdt.’ Boudewijn gaf haar een duwtje. Nog even en hij zou weten wie de mysterieuze tafelgast was. ‘Kom, we gaan.’

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
De boom in