Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Lezers op de foto

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

Recensies

Boekpresentatie

 

Diep weggekropen in mijn winterjas slenter ik over het schoolplein. Om me heen wordt gelachen en gekletst. Het lijkt wel of ik de enige ben die stil is. Die alleen is.
Tegen het muurtje hangt Jesse. Een van de jongens met te veel gel in zijn haar, te veel puisten in zijn gezicht en te veel testosteron in zijn te strakke spijkerbroek. Hij kíjkt naar me en beweegt zijn heupen veelbetekenend op en neer.
Hitsig konijn. Ik haast me verder, maar hij blijft me volgen. Met een verlekkerde trek op zijn gezicht. Hij kleedt me niet uit, hij verslindt me met winterjas en al!
Ik loop hem voorbij, maar zijn ogen priemen als ijshaken in mijn rug. Ik moet me wel naar hem omdraaien.
Zijn gezicht vervormt. Zijn kin wordt lang en puntig. Slagtanden groeien en zijn lippen puilen uit. Hij staat een paar stappen van me af, maar zijn lippen stretchen als die van Mr. Fantastic op me af. Twee
elastische monsters die me willen grijpen. Of zoenen.
Ik gil, maar Jesse en zijn lippen komen steeds dichterbij. Als een kat haal ik uit. Het stopt de duivel niet. Zijn smalende lach wordt alleen maar valser.
Ik duik op hem af, vloer hem en sla waar ik hem raken kan. Tot ik twee klemmen van handen om mijn bovenarmen voel.
‘Ophouden!’ Meneer Dekker trekt me van Jesse af. ‘Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?’
Jesse krabbelt op en neemt zijn standaard nonchalante houding aan. Hij zwijgt, ik ook.
‘Meekomen, naar de klas, allebei.’
Meneer Dekker grijpt ons beiden bij een schouder en duwt ons naar binnen. In het klaslokaal gaat Jesse naast me staan. Veel te dichtbij.
Zijn donkere ogen zijn net zwarte gaten waarmee hij al het licht en leven opzuigt. Ik ruk me los uit de maalstroom waarin ik dreig te verdwijnen en richt mijn aandacht op meneer Dekker, die de deur
van het lokaal sluit. Hij komt op ons af, maar kijkt alleen naar mij, alsof hij de duivel naast mij niet ziet.
‘Wat was dat nou, Faye?’
Jesse is een duivel! En hij probeerde me te verslinden!
Als meneer Dekker me gelooft, word ik opgesloten in het gekkenhuis. En als hij me niet gelooft, ben ik in zijn ogen een leugenaar. Ik weet niet welke van de twee mijn ouders het ergste zouden vinden.
Welke ik het ergste vind.
Meneer Dekker frunnikt aan zijn snorretje. Dat doet hij altijd als zijn geduld op is. Op mij is hij nog nooit boos geworden, maar nu heb ik gewoon geen antwoord voor hem. Hij ziet de mensen niet
zoals ik. Niemand doet dat. Er is iets mis met mij, maar ik had gehoopt dat het vanzelf over zou gaan. Dat ik het wel kon handlen tot die tijd. Ik zie ze al twee maanden, de duivels. De eerste keer dat iemand, een leraar nog wel, voor mijn ogen in een duivel veranderde, was ik te verbijsterd om te schreeuwen of te vluchten. Ik zat erbij en keek ernaar. Hoe zijn gelaatstrekken steeds grover werden, hoe er sprieten uit zijn hoofd groeiden, bulten op zijn rug, knobbels op zijn handen. Terwijl hij gewoon doorging met lesgeven. Dus ik ging gewoon door met de les volgen, ook al was mijn hoofd veranderd in een korf vol zoemende bijen.
‘Faye, krijg ik nog antwoord?’
‘Het spijt me, meneer Dekker. Ik had niet moeten vechten.’ Ik draai me naar Jesse, die een stap achteruit zet. Het lijkt wel of hij bang voor míj is, terwijl hij me met zijn gekromde slagtanden zo in stukken kan scheuren. ‘Het spijt me. Ik hoop niet dat ik je pijn heb gedaan.’
‘Dat is een begin.’ Met een handgebaar geeft meneer Dekker aan dat Jesse op de gang moet wachten. ‘Ik wil even alleen met Faye praten.’ De duivel sprint weg, waarna meneer Dekker vraagt: ‘Wat is
er aan de hand? Dit is niets voor jou.’
Ik kan hem de waarheid niet vertellen. Voor ik uitgesproken ben, heeft hij mijn ouders gebeld en zij mogen dit niet te weten komen. Nooit! Ik heb gevochten. Voor het eerst in mijn leven. Ik sla mijn handen voor mijn gezicht. ‘Het spijt me.’
‘Zijn er problemen thuis?’
Verwoed schud ik mijn hoofd.
‘Wat is er dan? Als je niets zegt, kan ik je ook niet helpen. Komt het door Sophie?’
Weer schud ik mijn hoofd. Ik wil het niet met hem over Sophie hebben.
‘Heb je er al eens met haar over gepraat?’
Alsof er nog met Sophie te praten valt. Ze gebruikt haar tong alleen nog maar om Murad af te lebberen. Of om hem op te hemelen. Of om op te scheppen over wat ze allemaal doen in bed. Jak!
En ik heb Sophie nog gewaarschuwd voor Murad. Omdat ik niet kon vertellen dat hij een duivel is, heb ik gezegd dat hij slecht is, dat ze voor hem moet uitkijken, en toen was ik ineens racistisch, bekrompen en jaloers. Als ze Murad toch kon zien zoals ik, dan zou ze walgen van de klauwen die hij om haar heen slaat, van de gevorkte tong waarmee hij haar lippen likt.
‘Faye! Waar zit je met je gedachten?’ Meneer Dekker frunnikt zijn snor er bijna af. ‘Je snapt toch wel dat ik dit niet zonder verklaring door de vingers kan zien? Heeft Jesse je iets misdaan?’
‘Hij kéék naar me. U weet wel...’ Het woord geil krijg ik tegenover een leraar niet over mijn lippen.
‘Dat doen jongens en meisjes van jouw leeftijd.’
Duh!
‘Hij heeft je toch niet lastiggevallen? Je aangeraakt terwijl je dat niet wilde? Dan moet je het zeggen.’
‘Nee,’ mompel ik. ‘Het was alleen zijn blik. Ik kon er niet meer tegen.’
‘Met vechten los je dat niet op. Als jonge vrouw moet je leren met woorden van je af te slaan. Mannen hebben duidelijkheid nodig. Ik roep Jesse weer binnen en dan hebben we het erover.’
Met een zucht geef ik toe. Als ik meewerk, laat meneer Dekker mijn ouders er hopelijk buiten.

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Geheugenstrijd