Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

De boom in

Fragment

Introductie

 

Een magische ontmoeting

Midden in de nacht werd Lotte wakker. Met haar ogen open zag ze nog steeds de beelden uit haar droom voor zich. Een gigantische eik die in het midden van een open plek in het bos stond. De takken van de eik waren vingers die haar wenkten. De bladeren ruisten; riepen haar naam. ‘Lotte… kom… Lotte… kom…’
Om de stam van de eik cirkelde een hemelsblauwe libel. Met zijn grote ogen keek de libel Lotte aan en knipoogde. Toen was ze wakker geschrokken. Van een geluid, herinnerde ze zich.
Ze ging rechtop in bed zitten. Daar was het weer, een zacht roetsjgeluid. Het kwam van buiten.
Op haar tenen liep ze naar het raam, trok de gordijnen open en stond oog in oog met… een libel. Met zijn lange achterlijf stootte hij tegen het raam, alsof hij wilde zeggen: openmaken!
Dit was een droom, dat moest wel.
Lotte opende het raam en de koude buitenlucht deed haar rillen. Kun je kou voelen in een droom, vroeg ze zich af.
De libel vloog naar achteren en bleef daar hangen.

libel

‘Wat wil je?’ Ik lijk wel gek, dacht ze. Ik praat tegen een libel.
‘Kom… Lotte… kom…’ Het waren de woorden uit haar droom. Ze klonken zacht, alsof ze van ver werden meegenomen door de wind.
‘Moet ik meekomen?’
De libel bewoog zijn achterlijf van boven naar beneden en weer terug omhoog.
Dat lijkt wel een ja, dacht ze. ‘Maar het is midden in de nacht,’ protesteerde ze hardop.
De libel vloog verder naar achteren.
Ze haalde haar schouders op. Als dit een droom was, kon ze net zo goed meegaan. ‘Oké, ik kom al.’ Zonder sokken gleed ze in haar schoenen en trok een trui over haar pyjama aan. Ze sloop door de gang, pakte beneden haar jas van de kapstok en opende voorzichtig de voordeur.
Vlak voor de deur hing de libel in de lucht. Hij vloog door de tuin, in de richting van het bos. Lotte rende achter hem aan.
Zigzaggend vloog de libel tussen de bomen door. Door zijn glinsterende vleugels was hij een lichtpuntje dat Lotte kon volgen. Steeds dieper gingen ze het bos in, steeds verder. De libel vloog vooruit.
De schaduwen omringden haar en de bomen leken duistere wezens. Gejaagd haalde ze adem en ze trok de kraag van haar jas omhoog.
De libel kwam teruggevlogen en cirkelde om haar heen. Nu het beestje dichterbij was, leek het allemaal wat minder eng. Niet bang zijn, zei ze tegen zichzelf.
Met de libel vlak voor zich liep ze verder, tot ze bij een open plek aankwam. Daar stond hij, de hemelshoge eik uit haar droom. Zijn takken waren naar alle kanten uitgespreid. De maan leek een schijnwerper die precies op de eik gericht was. Ademloos staarde Lotte naar de sprookjesachtige boom.
Ze liep naar de boom en ging zitten om hem eens goed van dichtbij te bekijken. Boven haar klonk een schrapend geluid, alsof hout over hout werd geschoven. Vliegensvlug daalde er vanuit de kruin iets neer wat op Lottes knie belandde.
Een wezentje, zo groot als Lottes hand, keek haar met lichtroze ogen aan. Het was net een mensje, met een huid van boombast, bruin en gegroefd. Lange haren hingen over haar smalle schouders.

Flannie


‘Wees niet bang, mijn naam is Flannynwyn, noem me maar Flannie.’ De stem klonk als het kraken van takken.
Lotte knipperde met haar ogen, maar het wezen verdween niet.
‘We hebben je hulp nodig, Lotte.’
Het wist haar naam. ‘Wat…’ stamelde ze.
‘Wat ik ben? Een boself. Luister, we hebben je hulp nodig. Deze eik is het thuis van alle boselfen en nu wordt ons huis bedreigd.’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Ze gaan onze boom omhakken. Mannen met grote machines zijn bezig aan de rand van het bos. Ze maken zo'n herrie dat alle dieren wegvluchten, dat de grond trilt en de bomen kreunen van pijn.’
Mannen met machines? Die had ze gezien toen ze met mama aan het fietsen was. ‘Gaan ze het bos omhakken? Waarom?’
‘Het zal wel om mensenredenen zijn. Jullie verwoesten vaker dingen om redenen die wij niet begrijpen.’
Het huis van de elfen mag niet omgehakt worden, dacht Lotte. Maar ze wist niet hoe zij kon helpen. ‘Ik ben nog maar tien,’ zei ze met een zucht.
‘Juist daarom hebben we jou nodig,’ zei Flannie. ‘Volwassenen geloven niet meer in elfen en kunnen ons niet zien. Al hangen we aan hun neus.’
Lotte lachte. Ze zag Flannie al als een enorme snottebel aan papa’s neus hangen. ‘Wat kan ik doen?’
‘Je moet ze tegenhouden, ze mogen onze boom niet omhakken. Dan kunnen we nergens meer heen en zullen we sterven.’
Het leek alsof een onzichtbare hand Lottes keel dichtkneep. Zouden deze boomwezentjes sterven? Dat zou afschuwelijk zijn! ‘Hoe kan ik jullie helpen?’
‘Haal de volwassenen over om onze eik te sparen.’
Lotte was vastbesloten. ‘Ik zal jullie helpen,’ beloofde ze.

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
De boom in