Home

- Nieuws
- Auteur
- Publicaties
- Bestellen
- Gastenboek

Mail

Volg mij op

Boeken

- kinderen
- jeugd
- volwassenen

Bobbel en Bengel gaan aapjes kijken

Fragment

Introductie

Recensies

 

hoofdstuk 1

Ajala holde door de gangen van het kasteel. Haar lichaam tintelde, alsof ze na een warm bad in de vrieskou had gestaan. De koning had háár laten roepen. Haar alleen. Ze wist zeker dat hij haar om advies zou vragen.
Terwijl ze rende, probeerde ze haar donkere krullen in bedwang te krijgen. Opsteken of in een vlecht? Nee, vlechten waren voor meisjes.
Voor de zware, houten deuren van de troonzaal vertraagde ze haar pas. Even rustig ademhalen. Wat moest de koning wel denken als ze hijgend de zaal binnenkwam?
‘Goede Mirmana, jij die licht in het duister brengt, help mij de koning te dienen,’ fluisterde ze.
Met opgeheven hoofd liep ze de troonzaal in, een imponerende ruimte met grote, ovale glas-in-loodramen die het eeuwenoude verhaal vertelden van de strijd tussen licht en donker. Marmeren pilaren reikten tot aan het hoge, gewelfde plafond en haardvuren brandden aan iedere zijde van het vierkante vertrek zodat het altijd overal behaaglijk was.
Vanuit haar ooghoeken gluurde Ajala naar de aanwezigen, die door de hele zaal verspreid stonden en druk in gesprek waren. Keken ze naar haar? Spraken ze over haar?
Nog nooit was ze zonder Odmund bij de koning geroepen. Waarom moest hij zo nodig op familiebezoek? In de drie jaar dat zij zijn leerling was, was hij nog geen dag weggeweest. Nu was hij al bijna een week weg. Odmund had gezegd dat zij er klaar voor was om hem te vervangen, maar dat moest ze wel waarmaken nu.
‘Ajala, daar ben je,’ zei Nitard, de lakei van de koning die haar tegemoet kwam lopen. Zijn hoofd leek op een verschrompelde tomaat. Hij glimlachte, maar zijn houding straalde afkeuring uit. De oudgediende leek niet gelukkig dat ze een meisje van vijftien om hulp moesten vragen.
Samen liepen ze naar een grote tafel waaraan de belangrijkste leden van het hof aan het beraadslagen waren. De tafel lag vol met paperassen. Aan het hoofd zat koning Adelhart. Een pezige man met een volle, donkere baard en snor en heldere, blauwe ogen. Hij droeg een smetteloos wit gewaad, afgezet met zilver, de kleur van Mirmana. Om zijn schouders hing een mantel van hermelijn. Een van de mantels die Ajala’s moeder voor hem had gemaakt. Het was alweer drie jaar geleden dat haar ouders waren overleden, maar nog steeds voelde ze bij iedere herinnering een steek in haar hart. Nu niet aan denken, vermaande ze zichzelf.
Ze boog diep voor de koning en voor zijn broer Rotwardo, een magere man met donkere ogen en grijs doorschoten, donker haar. Ook hij droeg het koninklijke wit, alleen waren zijn kleren met donkerrode versieringen afgezet.
Nadat ze de strijdadviseur, de drie hertogen en Reinold, de raadsheer had toegeknikt, ging Ajala recht voor de koning staan. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn, hoogheid?’ Haar stem trilde een beetje. Waar had ze toch last van? Ze had onder begeleiding van Odmund al tientallen duidingen gedaan voor de koning. Ze kende hem als een vriendelijke, goedlachse man. Waarom stond er dan zweet in haar handpalmen?
Koning Adelhart nam haar schattend op. Ajala voelde zich klein worden onder zijn onderzoekende blik. Zou hij haar te jong vinden? Ze kon het antwoord niet opmaken uit zijn neutrale gezichtsuitdrukking.
‘We hebben verontrustende berichten gekregen uit het zuiden,’ zei de koning. ‘Sinds een paar weken zijn er schermutselingen in de bergen. Reizigers worden overvallen en zelfs gedood. De mannen van hertog Bauenold zijn op onderzoek uit geweest, maar vonden niets. Ik wil dat jij een duiding voor ons doet. Ik wil weten waar we mee te maken hebben en hoe we het kunnen oplossen.’
Ajala’s hart klopte zo hard, dat het leek alsof er binnenin haar iemand op een trommel sloeg. Was Odmund maar hier! Moest ze in haar eentje zulke belangrijke informatie achterhalen? Ze mocht geen fouten maken. Wat als…
Doordat Nitard zijn keel schraapte, werd ze uit haar gedachten gehaald. ‘Natuurlijk, hoogheid. Ik zal een duiding voor u doen. Nu meteen?’ vroeg ze.
Soms wilde de koning dat de duidingen ter plaatse werden gedaan. Meestal liet hij de keuze aan de hofduider over en Odmund deed zijn werk het liefste in zijn werkkamer.
Ze hoopte dat ze zich mocht terugtrekken, dat ze rustig naar de antwoorden kon zoeken. Als ze de koning advies gaf, moest ze er heel zeker van zijn dat het het juiste was. Anders eindigde haar carrière als hofduider voordat die begonnen was.
‘Ik denk dat mijn staf graag getuige wil zijn.’ Koning Adelhart keek de tafel rond en de hofleden knikten enthousiast.
Ajala’s schouders zakten in, maar ze trok ze direct weer recht. Ze kon dit best. Ze had eerder duidingen gedaan voor het oog van de halve hofhouding. Al ging het dan om vragen als: is het weer morgen goed genoeg om te gaan jagen, zal de strijdadviseur het toernooi winnen, wat is er aan de hand met de lievelingsvalk van de koning? Dit was iets heel anders. Hier konden levens van afhangen… Ze klemde haar handen op elkaar, zodat niemand kon zien dat ze trilden.
Nitards kuchje haalde haar opnieuw uit haar gedachten. Ze gedroeg zich onbeschoft: ze liet de koning wachten op antwoord. ‘Hoogheid, ik ga direct de Botten halen. Zij zullen antwoord geven op uw vragen.’
‘Jammer dat je ze niet bij je hebt,’ wees de koning haar terecht.
Zijn woorden klonken vriendelijk, maar Ajala voelde de afkeuring. Ze kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. Odmund had zijn Botten altijd bij zich als hij geroepen werd. Waarom had zij daar niet aan gedacht?
Met een afgemeten handgebaar gaf koning Adelhart aan dat ze kon vertrekken. Ajala draaide zich om en liep schoorvoetend weg. Ze had het gevoel dat alle aanwezigen haar nastaarden en dat er fluisterend over haar gesproken werd. Haar wangen gloeiden en ze wist zeker dat haar hoofd net zo rood was als dat van Nitard.
Net buiten de zaal voelde ze een hand op haar schouder. ‘Ik loop een stukje met je mee,’ klonk de zachte stem van Reinold. Hij duwde haar vooruit.
Ajala wist niet wat ze moest zeggen. Wat zou de raadsheer van haar willen? Reinold werd door iedereen de weetal genoemd, omdat hij altijd alles wist over iedereen.
Toen ze buiten gehoorsafstand waren van de wachters die voor de troonzaal stonden, liet Reinold haar schouder los. Hij boog voorover en fluisterde: ‘Helaas kan dit niet wachten tot Odmund terugkomt. Luister goed: wij kunnen geen roddels over oorlog of de Deemster Vorst gebruiken. Dus wat er ook uit je duiding komt, daar heeft het niet mee te maken. Begrijp je mij?’
Ajala sloeg haar ogen neer. Haar hart bonsde in haar keel. Reinold vroeg haar te liegen. Dat kon toch niet? Odmund had haar geleerd dat je een duiding op verschillende manieren kon interpreteren, maar over liegen had hij nooit gesproken. Ze kon zich ook niet herinneren dat hij ooit duidingen – opzettelijk – verkeerd had uitgelegd. Waarom vroeg Reinold dit van haar? Was het een test?
‘Maar…’ stamelde ze.
‘Er is geen tijd voor discussie. Jij hebt gezworen de koning te dienen. Daarom verwachten wij dat je onder geen beding de woorden oorlog of het kwaad noemt. Is dat duidelijk?’ Zijn grijze ogen boorden zich in de hare.
Ajala bestudeerde haar handen. Ja, ze had koning Adelhart trouw gezworen. Maar wat had hij aan leugens?
‘Ajala?’ Er klonk ongeduld in de stem van Reinold.
‘Ik heb het begrepen,’ zei ze hees.
‘Goed zo, meisje. Ga maar snel je spullen halen.’
Ajala zette ze het op een rennen, alsof ze daarmee haar gedachten kon ontlopen. Maar de vragen holden net zo hard met haar mee. Wat moest ze doen? Haar eerste duiding voor de koning zonder hulp van Odmund. En dan werd haar gevraagd te liegen! Was dit de wens van de koning? Of was dit wat Reinold wilde?
Ze wilde het goed doen. Ze wilde dat Odmund trots op haar zou zijn. Maar wat moest ze doen als de duiding oorlog aangaf? Wat als het kwaad zich roerde? Dan was het toch beter als iedereen op de hoogte was? ‘Mirmana, laat de Botten niet op oorlog of op de Deemster Vorst wijzen,’ prevelde ze.
De werkkamer van Odmund bevond zich in een van de vier torens van het kasteel en besloeg de hele bovenverdieping van de toren. De houten vloerpanelen kraakten toen ze binnenkwam. In het dak zat een groot raam, waardoor de kamer overdag baadde in het zonlicht en ’s nachts in een mysterieuze, zilveren gloed. Misschien zou dit ooit haar kamer worden. Als ze de koning niet teleurstelde.
Tegen de noordelijke wand stonden drie hoge kasten die de hele muur en zelfs het raam bedekten. Eén kast was gevuld met boeken en paperassen over het duiden en de hulpmiddelen die gebruikt werden, de Voorspellers. In de tweede kast lagen vooral gebruiksvoorwerpen. Ajala liep naar de derde kast. Daar lagen Odmunds Voorspellers en zijn legdoeken. Ze pakte de fluwelen, witte zak met Botten en de legdoek uit de kast. De Botten rammelden, alsof ze haar verwelkomden. Ze glimlachte naar de zak. Ze had al zo vaak met Odmunds Botten gewerkt dat ze aanvoelden alsof ze van haar waren. Zelf had ze nog geen Botten. In de drie jaar dat ze leerling was bij Odmund had ze met alle Voorspellers leren werken. Ze had al haar eigen Munten, Dobbels en Kaarten gemaakt. Maar Botten kon je niet maken. Volgens Odmund kwamen die naar je toe zodra je er klaar voor was.
Gehaast verliet ze de torenkamer en rende terug naar de troonzaal. Ze voelde zich zekerder nu ze de Botten bij zich had.
In de troonzaal hadden alle aanwezigen zich al verzameld rondom de tafel. Ongevraagd maakten ze plaats voor haar. Ze hield haar hoofd recht en stak haar borst vooruit, liep tussen de mensen door en nam haar plek aan de tafel in.
Er leek een enorm gewicht op haar schouders te rusten. De hele hofhouding zou toekijken hoe zij de Botten ging werpen en lezen. Ze kneep in de fluwelen zak om de geruststellende vormen onder haar vingers te voelen.
Ze schudde het drukkende gewicht van zich af en rechtte haar schouders. Ze boog licht voor koning Adelhart en spreidde de ruitvormige legdoek uit over de tafel. ‘Ik ben er klaar voor, hoogheid.’
De koning knikte slechts.
Ajala ademde een paar keer diep in en uit. Als vanzelf verdwenen alle aanwezigen naar de achtergrond en vervaagden in een magische mist. Al wat overbleef waren de Botten. Ze zongen naar haar, smeekten haar hen te bevrijden, juichten haar toe om hen te gebruiken.
Ze knoopte het zilveren touw dat de kwade macht weghield los en schudde de zak. In gedachten herhaalde ze de vragen van de koning. Wat is er aan de hand in de bergstreek in het zuiden? Hoe kan het probleem opgelost worden?
Ze bracht haar hand boven de tafel en ontspande haar vingers. De Botten kletterden over de legdoek, naar de juiste positie om haar van antwoorden te voorzien. Sommige Botten schoven over de rand van de doek op tafel of vielen op de grond.
Ajala boog voorover om de patronen van de Botten op de legdoek te bekijken. Als eerste ging ze op zoek naar het kwaad, naar het zwarte Okeshbot. Het was aanwezig! Ajala fronste haar wenkbrauwen. Het Bot lag op de rand van de legdoek, er half buiten. Zoiets had ze nog nooit gezien. Was de Deemster Vorst wel of niet aan het werk?
Ze zocht verder. Het Innukibot gaf aan dat er groot gevaar dreigde en volgens het Reiigsbot ging het om een belangrijk persoon. Daarnaast lag het Bot dat de zuidelijke windstreek representeerde. Die drie Botten wezen zonder twijfel naar hertog Bauenold. Toch ging ze op zoek naar het Bot van de Verselle, de koning der vogels. Ook dat lag zo raar half buiten de legdoek. Speelde de koning nu wel of geen rol in dit verhaal? Wat was er met deze duiding aan de hand? Botten hoorden niet half buiten de legdoek te liggen.
Ze bestudeerde de ligging van alle Botten. Hun onderlinge positie vertelde het hele verhaal. Naast de Botten die wezen op hertog Bauenold, lag een Bot dat ze liever niet zag. Ankash, de dood. Recht daaronder het stervormige Bot van de Homijn, dat aangaf dat het om veel personen ging. Veel mensen zouden sterven…
In het bovenste kwartier van de legdoek lagen de beslissende factoren. Het Kinnabot? Water? Hoe vreemd het ook leek, water zou tot de dood leiden.
Gelukkig lagen er ook Botten in het onderste kwartier. Ze kon koning Adelhart een oplossing voor de problemen geven. Eerst plantte ze de details in haar geheugen. Ze moest deze duiding met Odmund bespreken. In het centrum van de legging was alles duidelijk. Zoals het hoorde, hadden de Botten daar geen geheimen voor haar. De rand van de legdoek maakte Ajala bang. De binnenkant voorspelde niet veel goeds voor de hertog, maar de buitenste rand duidde op iets vreselijks, iets groots en afschuwelijks. Ajala voelde het in haar hele lijf. De Botten in de buitenste rand brachten chaos en verwarring, leken niets met de vragen van de koning over de problemen in het zuiden te maken te hebben.
Ajala hield haar hand boven Okesh. Een rilling gleed door haar heen, alsof ze werd aangeraakt door het kwaad. Snel haalde ze haar hand weg. Later zou ze hier beter naar kijken. Nu moest de koning antwoord krijgen op zijn vragen.
De magische mist verdween. Een voor een verschenen de aanwezigen: de koning, zijn adviseurs, de hertogen en alle mensen die in cirkels om hen heen stonden. Kleren schuurden, voeten schuifelden, kelen werden geschraapt, een hoest onderdrukt. Ajala was weer terug. Voordat ze sprak, herinnerde ze zich de dreigende woorden van Reinold. Ze mocht de Deemster Vorst niet noemen. Ze haalde diep adem en zei: ‘Hoogheid, er dreigt gevaar in het zuiden. Voor zover ik kan opmaken, zijn de schermutselingen gericht tegen het huis van hertog Bauenold. Als er geen einde wordt gemaakt aan de problemen, voorspel ik een gruwelijke tijd voor het hele hertogdom.’
Ajala verlegde haar aandacht naar hertog Bauenold. Een man met een hoekig gezicht, kort, stekelig, donker haar en een neus die gebogen was als de snavel van een krombek. Ondanks zijn strenge uiterlijk was hij een vriendelijke man. De meeste tijd bracht hij door in zijn hertogdom, maar als hij hier was, sprak hij niet zonder na te denken en ze had hem nog nooit zijn stem horen verheffen. Hij keek haar kalm aan.
‘Heer Bauenold, ik moet u waarschuwen. Pas op voor water.’
De wenkbrauwen van de hertog schoten omhoog. Toch onderbrak hij haar niet.
‘De Botten zeggen dat u met uw mannen de bergen in moet om het probleem op te lossen. U staat tegenover menselijke tegenstanders, u hoeft niet te vrezen voor magie. Maar kijkt u alstublieft uit voor water.’
De hertog knikte. ‘Dank je, Ajala. Ik zal je raad ter harte nemen. Ik ben blij dat het mee lijkt te vallen.’
Ze schudde fel haar hoofd. ‘Als de bron van dit gevaar niet wordt vernietigd, zal het niet meevallen, heer Bauenold. Niet alleen u, maar alle mensen in uw hertogdom lopen gevaar.’
Weer knikte de hertog, zijn blik was gericht op iets achter haar, alsof hij nadacht over haar woorden. ‘Nogmaals mijn dank, Ajala.’ Het klonk alsof hij haar bedankte voor het aanprijzen van een goede wijn.
Geloofde hij haar niet? Moest ze nog duidelijker zijn dan een gruwelijke tijd? Ze had de hertog alles verteld wat ze wist. De rest was aan hem. ‘Kan ik nog iets voor u betekenen?’ Ze richtte zich tot koning Adelhart. ‘Of voor u, hoogheid?’
‘Nee, Ajala. Wij zullen je woorden in overweging nemen en onze plannen erop afstemmen,’ zei de koning.
‘Dank u, hoogheid.’ Nog eenmaal wierp ze een blik op de legdoek. Ze had de precieze ligging van ieder Bot goed in haar hoofd geprent. Ze verzamelde alle Botten en borg ze op in de zak. ‘Met uw toestemming vertrek ik nu.’
‘Ik zou het fijn vinden als je samen met ons de avondmaaltijd wilt gebruiken.’ De koning lachte zijn vaderlijke lach, maar zijn verzoek was een bevel.
Ze boog licht terwijl ze haar kiezen op elkaar klemde. Ze wilde zo snel mogelijk een nieuwe duiding doen, er was iets vreselijk mis. Moest ze nu hier haar tijd verdoen?

maanHij boog voor Adelhart, zoals hij al zijn hele leven deed. Naar die zielige man met zijn verraderlijke blauwe ogen, de lippen in een valse glimlach, de handen die nooit arbeid verricht hadden, gevouwen om een bokaal rode wijn. Omringd door zijn hofhouding, allemaal kruipende wormen, die lachten als koning Adelhart lachte en die opsprongen als hij dat van hen vroeg.
Adelhart knikte. Hij had toestemming om te vertrekken. Hij perste er een glimlach uit en mompelde: ‘Nog een prettige avond, hoogheid.’ Gejaagd verliet hij de troonzaal. Zijn voetstappen weergalmden op de marmeren plavuizen terwijl hij naar zijn privévertrekken beende.
Het ging niet goed! Na al die jaren van voorbereidingen schopte een kind zijn plannen in de war. Net nu alles samen kwam en zijn wraak dichtbij was.
Toen de koning Ajala gevraagd had om een duiding te doen, had hij zich geen zorgen gemaakt. Wat kon een meisje van vijftien nou betekenen? Meer dan waarop hij gerekend had. Ze had hertog Bauenold gewaarschuwd voor het gevaar. Gelukkig wist het kind niet half waarover ze het had. Hij had er goed aan gedaan om een gedeelte van zijn plan door een ander te laten uitvoeren. Zelfs de Botten wisten niet waar het daadwerkelijk om draaide. Alles wees in de richting van zijn werktuig Walbert en niet naar hem.
Toch zinde het hem niet dat de hertog de bergen in zou trekken op zoek naar Walbert. Wat als Walbert zich niet aan de afspraken hield en de hertog zou vermoorden? Walbert haatte de hertog net zo hartgrondig als hij de koning. Zou Walbert zich laten verleiden tot directe wraak in plaats van te wachten op de geraffineerde manier die hij bedacht had? En wat als de hertog Walbert zou tegenhouden?
Nee, niet doemdenken. Walbert is volledig in mijn macht, al denkt de man dat hij uit zichzelf handelt. En voor de hertog vind ik wel een oplossing.
Zijn donkerrode mantel golfde achter hem aan op weg naar zijn vertrekken. De kille gangen koelden zijn verhitte humeur.
Laten ze zich maar concentreren op de problemen in het zuiden, dacht hij. Dan had hij hier vrij spel. Hij zuchtte. Nog één maan, dan zou de wereld gerechtigheid kennen. Dan zou iedere worm kruipen en smeken of onder zijn hak verpletterd worden.
In zijn vertrek liet hij zijn mantel van zich afglijden. Het voelde bevrijdend, alsof hij zich daarmee ook ontdeed van het masker dat hij op moest houden. Het haardvuur brandde en de olielampen waren aan. De kamermeisjes wisten dat hij als een van de eersten het diner verliet. Ze wisten ook dat hij de rest van de avond door niemand gestoord wilde worden.
Hij blikte uit het raam. Een wolkenloze, donkere sterrenhemel. Hij glimlachte. Zijn Heer had die onbenullige maangodin weer weten te verdrijven, zoals hij iedere vier weken deed. Vannacht was zijn kracht voelbaar.
Hij ging aan de slag om de problemen op te lossen. Niets mocht zijn wraak in de weg staan.

 

Logo Bianca Mastenbroek
Bianca Mastenbroek Bianca Mastenbroek (1975) is geboren en getogen in De Moer (zes straten, een kerk en een café) en woont sinds 1995 in Eindhoven.
Zoals heel veel schrijvers was ze van jongs af aan al gek op lezen en schrijven. Als kind schreef ze hele schriften vol. Haar allereerste ‘boek’ heeft ze als tiener nog op de typemachine uitgetypt.
 
  Lees meer op de pagina 'Auteur'  
     
Vuurproef